Maandag in de eenendertigste week
           van het even jaar
                        Heilige Hubertus, bisschop


Eerste lezing: Filippenzen 2,1-4 [III 361];
Evangelie: Lucas 14,12-14 [III 362]


Inleiding  

'Gij bereidt mij een maaltijd voor het oog van mijn vijand', zongen we in het openingslied. Vijanden worden gewoonlijk vijandig bejegend. Ze worden opgejaagd, achterna gezeten, vervolgd, precies zoals de heilige van vandaag, toen hij nog niet bekeerd was, het wild opjoeg. Maar ook wij zijn zo, wij zijn eveneens op jacht, we jagen het werk na, pleziertjes, contacten, de bevrediging van de zinnen, enzovoort. We jagen zelf, maar worden er ook door opgejaagd.
Waarnaar was de heilige van vandaag, de heilige Hubertus, op jacht? Hij ging een hert achterna. Op een gegeven ogenblik draaide dat hert zich om en toonde tussen zijn gewei een glorievol stralend kruis. Dat gezien hebbende ging de jager opnieuw op jacht naar buit, maar nu als een hemelse jager, niet meer gejaagd door zijn hartstochten. Eenmaal voor dat hert staande, keerde Hubertus zich om, en gebogen over zijn hart, ging hij naar de bisschop van die dagen om zich aan Christus toe te wijden.
Mogen wij ons nu ook omkeren, om ons aan Christus en zijn barmhartigheid toe te wijden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas


In die tijd zei Jezus tot de Farizeeër
die Hem aan tafel had genodigd:
“Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft,
nodigt dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit
en ook geen rijke buren.
Het zou kunnen zijn dat zij op hun beurt u uitnodigen
en dat gij het dus terugkrijgt.
Maar als gij een gastmaal geeft
nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.
Gelukkig zult ge zijn
omdat zij het u niet kunnen vergelden.
Het zal u vergolden worden
bij de opstanding van de rechtvaardigen.”

Homilie  
 

Vandaag zitten we voor de derde maal met Jezus aan tafel en worden we geconfronteerd met de gewone menselijke eigenschap om zich goede plaatsen uit te zoeken, een plaats waardoor we hoger komen te staan in achting, in eer. In de eerste lezing heeft Paulus het al over die neiging van de mensen: "Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf." Doe dus niet wat de mensen gewoonlijk doen: zichzelf hoger achten dan de ander.

Heel de mensenfamilie is verdeeld in partijen. Je hebt natuurlijke partijen: bloedverwanten, broers en zussen, en maatschappelijke partijen, zoals bijvoorbeeld rijke buren. Die buren zijn niet alleen zomaar rijk op zichzelf, maar ze wonen ook nog in een rijke buurt. Ze wonen op de goudkust, ze wonen chique en dan vormt zich wat de mensen noemen: een in-groep, een gesloten groep die zich afschermt tegen andere groepen. Een groep waarin de mensen elkaar kennen, elkaar de bal toespelen, elkaar uitnodigen en zich laten uitnodigen. Dat constateert Jezus ook bij zijn gastheer. In het zakenleven heb je de heren onder elkaar, die het onderling wel regelen, zo van: de ene dienst is de andere waard. Zo gaat het in het klein, maar zo gaat het ook in het groot. De rijke landen onder elkaar schermen zich af tegen de arme landen. 'Ons soort mensen', 'wij in het westen', of hoe dan ook verder in deze of gene constellatie. Het komt allemaal op hetzelfde neer: de rijken onder elkaar en de armen grijpen ernaast.

Nu kun je zeggen: niemand van ons heeft de mogelijkheid diners aan te richten en rijke buren uit te nodigen. Maar iedere mens heeft in zijn sociale betrekkingen wel zoiets, mensen voor wie hij een voorkeur heeft, en mensen met wie hij liever niets te maken heeft. Een zuster heeft ook medezusters met wie ze geen contact heeft, van wie ze een afkeer heeft, die voor haar gevoel lam zijn, lamlendig, verlamd, gebrekkig, en andere met wie ze graag van doen heeft.

En wat gebeurt er als je met een gebrekkige op stap gaat? Dan wordt je zelf ook gebrekkig. De gebreken van een ander brengen de eigen gebreken aan het licht. Bij een vriendelijk, sympathiek iemand, met wie je een gevoelsharmonie hebt, is het niet moeilijk vriendelijk te zijn, maar bij iemand die helemaal geen rekening houdt met jouw gevoelens, die onbeheerst is, ongevoelig of gevoelsarm, is het uitermate moeilijk om vriendelijk te blijven en niet ongeduldig te worden.

Niet ongeduldig worden, dat kunnen wij alleen maar opbrengen wanneer wij ons verenigen met Jezus. Hij heeft dat niet zomaar eens een keertje gedaan, Hij is er tot in zijn bestaan toe voor anderen. Hij heeft, terwijl Hij rijk was, zijn rijkdom losgelaten, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede (vgl. 2 Kor 8,9). Dat hebben missionarissen ook gedaan. Die kunnen dat natuurlijk niet anders gedaan hebben tenzij dat zij door de Geest van Jezus werden bezield. Zij hebben de rijkdom van hun onder elkaar gelovig zijn losgelaten, de rijkdom van het met elkaar kunnen delen, en zijn als pelgrims overgestoken naar den vreemde. Ze hadden niemand anders bij zich dan het gezelschap van Jezus, de Geest van Jezus.

Zo moeten ook wij zijn, hier, in onze eigen omgeving. Niet altijd je rijke buren zoeken, je vrienden, die je het kunnen teruggeven, met wie je prettig contact hebt, maar juist Jezus zijn voor de ander, Hem in jezelf belichamen en zo gemeenschap opbouwen in Jezus' Geest.