Heilige Willibrord, bisschop
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Jesaja 52,7-10 [IV 142];
Tweede lezing: Hebreeën 13,7-9a.15-17a [IV 143]
Evangelie: Matteüs 28,16-20 [IV 145]; of: Marcus 16,15-20 [IV 144]
Inleiding
De heilige Willibrord is door paus Pius XII tot patroon van de Nederlandse kerkprovincie uitgeroepen. Vandaag vieren wij hoe hij dertien eeuwen geleden, in het jaar 690, samen met elf gezellen vanuit Engeland in Katwijk aan land stapte, om een nieuwe Kerk te stichten in onze landen en onze voorouders te winnen voor het evangelie. Het is opmerkelijk dat wij dat vandaag de dag nog vieren, nu wij in datzelfde land waar hij eens het geloof bracht, de ontkerstening meemaken, een proces dat zich razendsnel voltrekt, zovele malen sneller dan de kerstening die Willibrord begonnen is. Dat doet je eens te meer beseffen wat een genade, wat een geschenk, het geloof is. Machteloos wringen wij onze handen bij het zien van die ontkerstening, een proces dat niet te stoppen schijnt. Er is een kracht nodig, een vuur, een liefde, van de andere kant van deze wereld, om dat proces een halt toe te roepen. Wat is nu de kracht geweest, die Willibrord ertoe bewoog, om zo'n macht als het heidendom te confronteren met de Blijde Boodschap? In de kracht en met het vuur van de heilige Geest is het hem gelukt de heidenen in de Lage Landen te bekeren. Gods genade heeft gezegevierd!
Zoals we gewoon zijn te doen bij de eucharistieviering op zondag, beginnen wij ook vandaag, op deze feestdag, met de wijding van het water en de viering van ons heilig doopsel. Dat kunnen we doen met grote dankbaarheid, maar tegelijkertijd ook met berouw, omdat wij er mede schuldig aan zijn dat onze samenleving die genade ontrouw is geworden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd begaven de elf leerlingen zich naar Galilea,
naar de berg die Jezus hun aangewezen had.
Toen zij Hem zagen
wierpen ze zich in aanbidding neer;
sommigen echter twijfelden.
Jezus trad nader en sprak tot hen:
Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.
Gaat dus en maakt alle volken tot mijn leerlingen
en doopt hen in de Naam van de Vader en de Zoon
en de heilige Geest
en leert hun te onderhouden
alles wat Ik u bevolen heb.
Zie, Ik ben met u alle dagen
tot aan de voleinding der wereld.
Homilie
In die tijd begaven de elf leerlingen zich naar Galilea." Zo is de Kerk begonnen in de eerste eeuw en precies zo begon de Kerk bij ons in de zevende eeuw. In de zevende eeuw stapte Willibrord samen met elf gezellen in Katwijk aan land. Er waren al veel losse pogingen van missionering aan vooraf gegaan, zoals onder anderen door Wilfried, Wigbert en abt Egbert, maar in het jaar 690 gaat Willibrord met elf gezellen naar dat Lage Land. Nu waren ze echter met hun twaalven, dat wil zeggen: een nieuw apostelcollege, dat was gevormd om de belofte van Jezus te mogen ontvangen: "Ziet, Ik ben met u, met de Kerk, alle dagen tot aan de voleinding van de wereld." Nu moest het toch lukken. Deze keer zou het niet mis gaan, ze waren immers met z'n twaalven.
In het evangelie van vandaag zijn ze maar met elf man. "De elf leerlingen begaven zich naar Galilea." Eén ontbrak er, en die ene was Judas, de verrader. Trouwens, ze hadden Jezus allemaal verraden, ze hadden Hem allemaal in de steek gelaten, ze waren allemaal op de vlucht geslagen, ze hebben Hem allemaal verloochend, Petrus zelfs tot driemaal toe. En is dat nu ook nog niet precies ons levensgevoel? Wat hebben wij met het erfgoed van sint Willibrordus gedaan? We hebben het verraden, verloochend, verkwanseld, uitverkoop gehouden aan de omringende cultuur, en aangepast, aangepast, en nog eens aangepast, tot er helemaal niets meer over was van onze identiteit. We hebben ons, net als Petrus, staan warmen aan het haardvuur van de medemenselijkheid, van de bevestiging en erkenning door onze land- en tijdgenoten. We dienden eigentijdse idealen en waren daar niet meer van los te branden; we zouden en moesten erbij horen. We hebben meegedanst met de dans rond het gouden kalf van de welvaart. We hebben er een knieval voor gemaakt.
Vandaag, bij de viering van onze patroon Willibrord, staan wij hier beschaamd, zoals destijds de leerlingen. We zijn terug bij af, terug naar Galilea, zoals Willibrord in dat vreemde land van moerassen en afgoden en onbetrouwbare politieke leiders. Ons gekerstend landje, dat zoveel missionarissen heeft uitgezonden over de hele wereld (nog geen veertig, vijftig jaar geleden waren dat er bijna tienduizend), ligt er nu zelf ontkerstend bij.
Toch hadden de leerlingen goede moed. Zij stonden nog helemaal aan het begin. En even tevoren had Jezus hen ook nog zijn broeders genoemd. "Gaat aan mijn broeders - aan degenen die Hem in de steek hadden gelaten, die gevlucht waren, die Hem hadden verloochend - Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan." Ondanks alles waren ze zijn 'broeders' gebleven. Alles werd hun vergeven. Hij had hen niet laten vallen. Ze hoorden bij Hem. Ze mochten opnieuw beginnen. Dat was de reden dat Jezus hen naar Galilea riep, naar hun land, waar het allemaal begonnen was. Het gebied van hun oorsprong, van hun taal, met hun eigen mensen, dáár voelden zij zich thuis, en niet in dat hooghartige Judea en al helemaal niet in Jeruzalem, waar ze zich voelden als provinciaaltjes in de hoofdstad.
Vandaag is het de dag dat wij de nederlagen overzien, de klappen tellen die we hebben gekregen, en waarvan we niet weten hoe daar ooit een eind aan moet komen. Maar waar óók geen einde aan komt, is de kracht van het mosterdzaadje van ons geloof. Het mosterdzaadje is maar nietig, en zo kunnen wij ons ook met ons geloof voelen. Het is maar klein, maar het heeft een geweldige groeikracht. Jezus is het mosterdzaadje en Hij leeft in ons. Hij is trouw gebleven en Hij heeft ons niet laten vallen. Want "toen zij Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding neer." Dat is ook wat hier in de eucharistie gebeurt, in deze communiteit, die helemaal leeft van Hem en voor Hem. En ook de melaatse viel op zijn knieën neer voor Jezus, en Jaïrus, en de leerlingen na het stillen van de storm op het meer van Galilea. "De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: Waarlijk Gij zijt de Zoon van God" (Mt 14,33). Velen wierpen zich voor Jezus neer en dat deden ze allemaal in situaties van onmacht, in situaties waarin de mens zich nietig voelt, waarin hij niets meer verwacht van zichzelf en van de wereld, van de positieve krachten die er in hem zijn. Het zijn situaties waarin wij, als wij ons in aanbidding neerwerpen, alles van Hem verwachten, van Jezus alleen.
"Sommigen echter twijfelden. Twijfels zitten er ook in ons, in ons hart. Alles alleen van Jezus verwachten!? Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo'n aantal?" (Joh 6,9). Er zijn hier en daar nog wel priesters die geloven, en een of ander gezin dat katholiek is gebleven, maar wat is dat op zovelen? De twijfelaars van toen en nu krijgen een antwoord van Jezus. Het is een woord, niet een teken, maar een woord: "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde." Macht? Ja, maar wel een macht ten goede. Het was de macht van de Mensenzoon, van de wereldrechter, die Daniël in zijn visioen had gezien. Daniël leefde ten tijde van de grote verdrukking, maar in een visioen aanschouwde hij, als een verademing voor het verdrukte volk, de Mensenzoon oprijzen (vgl. Da 7,13.14). Die Mensenzoon is Jezus. "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. En Hij geeft de leerlingen, en ook ons, de opdracht naar Hem te luisteren en niet bij de pakken neer te zitten. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden, ook in onze tijd, alles wat Ik u bevolen heb."
Jezus is dus Iemand "aan wie alle macht gegeven is in de hemel en op aarde." Naar zo Iemand moet je luisteren. Als leerling van Jezus moet je luisteren niet alleen met je verstand, maar ook met heel je hart. 'Ja maar, bent U er ook als wij voor die onmogelijke opdracht staan?' 'Jazeker', zegt Jezus, "Ziet Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld."
Dat is ons geloof. Wij geloven in Iemand die macht heeft, die ons een opdracht geeft om uit te gaan uit onze eigen kleine wereld, steeds weer opnieuw, en die met zijn macht persoonlijk aanwezig is. Hij is hier en nu en overal waar christenen zijn, om met zijn kracht en zijn zelveloosheid de Blijde Boodschap te laten zegevieren boven de woorden en de ontmoedigende bewegingen in onze Kerk en in onze samenleving.