Maria op zaterdag
Eerste lezing: Filippenzen 4,10-19 [III 371];
Evangelie: Lucas 16,9-15 [III 372]
Inleiding
Maria is een voorbeeld voor ons, haar kinderen. Voorbeelden kunnen echter ook deprimeren: ik haal het toch nooit, zoals Maria; dat is zó ver weg. Daarom wordt in dit lied aan God gevraagd, of Hij de geest van Maria in ons hart wil leggen. Dat betekent, dat wij niet vanuit onze eigen kracht moeten proberen Jezus na te volgen, maar dat wij de geest van Maria als een geschenk, als een genade, aannemen van Hem, zoals zij dat ook heeft gedaan.
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Maakt u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon,
opdat zij, - wanneer die u komt te ontvallen -
u in de eeuwige tenten opnemen.
Wie betrouwbaar is in het kleinste,
is ook betrouwbaar in het grote:
en wie onrechtvaardig is in het kleinste,
is ook onrechtvaardig in het grote.
Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest in de onrechtvaardige mammon,
wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen?
Als ge niet betrouwbaar zijt geweest
in het beheren van andermans goed,
wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen?
Geen knecht kan twee heren dienen,
want hij zal de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Ge kunt niet God dienen en de mammon.
De Farizeeën, belust op geld als zij waren,
hoorden dit alles aan en lachten Hem uit.
Jezus sprak tot hen:
Bij de mensen doet gij uzelf als rechtvaardigen voor,
maar God kent uw hart.
Waar de mensen naar opzien, is in Gods ogen een gruwel.
Homilie
God en de mammon. Je kunt niet God dienen én de mammon. "Niemand kan twee heren dienen" (Mt 6,24 vgl. Lc 16,13). Waarom kan dat eigenlijk niet? Wat voor een tegenstelling kan er zijn tussen God en de rijkdom, tussen het hemelse goed, het waarachtige goed, zegt het evangelie, en het aardse goed? Ze zijn toch allebei goed? De goede God heeft toch de goederen van deze wereld geschapen. Hoe kan er nu concurrentie zijn tussen de Schepper van al het goede en het goede dat Hij geschapen heeft? Ziet God dan soms met jaloerse blikken als wij genieten van zijn eigen gaven? Kan Hij dat niet hebben? Nee, er is natuurlijk geen wedijver van de kant van God met zijn schepping. Maar wat wel heel goed kan, is dat wíj wedijveren met God. Dat wij het niet goed kunnen hebben dat God de Goede is, die de Meester, de Schepper, de Beheerder, de IJveraar is en blijft van alle goeds dat wij hebben. Het wordt ons in beheer gegeven. Het wordt niet ons eigendom.
Dat wij ons dat aardse goed toe-eigenen, is precies wat de mensen doen sinds de zondeval: de gaven van God niet meer als gaven van God beleven, maar als toegeëigende rijkdom. Die neiging klinkt bijvoorbeeld ook door in de woorden van Paulus in de eerste lezing: 'Ik heb geleerd in alle omstandigheden mijzelf genoeg te zijn.' "Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek." Dat heeft hij wel moeten leren, het ging niet zo maar vanzelf. Van zichzelf uit hecht de mens zich aan de goederen van de wereld en maakt hij er een afgod van. Het moet en het zal. En als het mij afgenomen wordt, dan ben ik ervan onderste boven.
Het gaat er dus om dat God je enige en echte rijkdom is. Dat je je rijk voelt met Hem, en met Hem alleen. Dat er met Hem altijd meer reden is om verheugd te zijn, dan om droevig te zijn. Niets is van jou, ook niet die innerlijke vrijheid van Paulus, want dat zegt hij toch: 'God heeft mij die kracht daarvoor gegeven.' "Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft." Zelfs die innerlijke vrijheid is nog niet van mij. Die heb ik gekregen, die wordt mij iedere keer weer opnieuw geschonken.
Wij leven in deze tijd, met het zicht op de eeuwigheid nog ver weg. Dat is het eigenlijke, dat je de rijkdom van God niet alleen ervaart als alleen in deze tijd, maar dat die rijkdom van God nu juist zo'n grote rijkdom is, omdat die is voor tijd én eeuwigheid. Met God ben je binnen voor altijd en eeuwig. Maar omdat wij in de tijd leven en de eeuwigheid nog heel schimmig, ver weg, is en het aardse goed zo dichtbij, zo tastbaar, zo concreet, gaat onze hoop zich hechten aan de dingen van deze wereld en wordt het aardse goed voor de mens een goed in zichzelf, een goed los van God. Dat is dan ook de reden waarom Jezus de rijke man antwoordt op zijn uitroep: "Goede Meester. : Niemand is goed dan God alleen" (Mc 10,17.18). Je moet niet denken, dat het bij Mij zo is zoals bij jullie, dat, als je een goed iemand ontmoet, dan niet tegelijkertijd je blik zich verheft, wijd en ruim wordt naar de goede God, in wie de goedheid van deze mens zich weerspiegelt. "Niemand is goed dan God alleen." Jezus brengt meteen de verbinding aan tussen het aardse goed dat Hij is als mens en het hemelse goed: God.
Zo kan het gebeuren wat Jezus in het evangelie dan ook constateert: dat God en mens, goddelijke rijkdom, de rijkdom die God is en het aardse goed, aan elkaar tegengesteld zijn. Zij dingen allebei naar de hoop van de mens. 'We worden' - zoals ooit iemand het heeft uitgedrukt - 'als twee gelijknamige polen', allebei plus en die stoten elkaar af. Daarom zegt Jezus aan de rijke jonge man, die rijk is aan aardse goederen, dat hij zijn goederen moet verkopen. Je wilt het eeuwige leven, het echte geluk bezitten? "Verkoop wat je bezit, geef het geld aan de armen; daarmee zul je een schat in de hemel bezitten" (Mt 19,21 vgl. Mc 10,21). Daarmee krijg je God, het echte goed.
Voor de kloosterling, die leeft onder de gelofte van armoede, is dit een steeds weer terugkerende opgave. Hij heeft niets, hij kan niets het zijne noemen, hij heeft alles in bruikleen, maar om dat alles steeds weer opnieuw te beleven, moet hij tegen een neiging in zichzelf ingaan. Theresia, de Kleine, kon mooi tekenen en schilderen. Om dat te kunnen doen, had zij van de overste een tekendoos gekregen met al het materiaal dat erin hoort: penseeltjes, liniaaltje, verf, enzovoort. Op zekere dag wil zij hiermee beginnen, ze maakt de doos open en ze ziet met één oogopslag wat er ontbreekt. Een medezuster had er een en ander uit weggenomen. Ze heeft later verteld dat het haar moeite heeft gekost om niet meteen naar die zuster toe te gaan, en op hoge poten en met hoge stem te eisen terug te geven wat zij haar had afgepakt. Ze maakte zich bewust dat ze niets in bezit had. Dat ze niets had dat ze het hare kon noemen, geen enkel recht kon laten gelden, dat zij haar laatste rechten moest afstaan. Wat ze deed, was heel vriendelijk vragen wat ze nodig had. Als een arme die zijn hand ophoudt en niet kan eisen.
Het is maar een voorbeeld, maar het is eigenlijk iets, dat wij elke keer mogen doen wanneer wij de offerande bewust meemaken. Dan maken wij ons bewust wat we hebben en wat we zijn, en tegelijkertijd gaan we tegen de neiging in, om wat wij als van ons beschouwen, af te geven aan God, het terug te geven aan Hem, zodat Hij het op een nieuwe wijze ons kan geven, maar dan met Hemzelf erbij. 'Dit is mijn Lichaam', het is allemaal van Mij, en Ik geef je daarbij een teken van mijn liefde tot het uiterste toe.