Vrijdag in de eenendertigste week
         van het even jaar
         

Eerste lezing: Filippenzen 3,17-4,1
Evangelie: Lucas 16,1-8


Inleiding  

Vandaag gaat het in het evangelie over de onrechtvaardige rentmeester. Hij liet de debiteuren van zijn heer één voor één bij zich komen en toen zij hem hun schuldbekentenis toonden, deed hij er bij ieder iets van af. Zoiets gebeurt er aan het begin van de eucharistieviering ook. Er wordt ons gevraagd onze schuldbekentenis aan God voor te leggen, onze schuld te belijden voor Hem, en Hij doet niet iets af van mijn schuld, maar Hij doet er álles van af, zelfs van mijn 'grote schuld'. Want we vieren het offer van Hem, die "de schuldbrief met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, heeft uitgewist. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld" (Kol 2,14). Daarin bestaat nu precies onze grote schuld, dat ieder van ons Hem persoonlijk aan het kruis heeft geslagen. 'Door míjn schuld', zeggen wij, 'door mijn schuld, door mijn grote schuld.' Niet wíj hebben Hem aan het kruis geslagen, maar ík. Ook ík was erbij.
Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen van zijn grote schuldvergiffenis goed te kunnen vieren.


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Er was eens een rijk man die een rentmeester had,
die bij hem werd aangeklaagd dat hij zijn bezit verkwistte.
Hij riep hem dus en vroeg:
Wat hoor ik daar van u?
Geef rekenschap van uw beheer,
want gij kunt niet langer rentmeester blijven.
Toen redeneerde de rentmeester bij zichzelf:
Wat zal ik doen, nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt?
Spitten kan ik niet, en bedelen, daarvoor schaam ik mij.
Ik weet al wat ik ga doen, opdat ik,
na mijn ontslag als rentmeester onderdak vind.
Hij ontbood de schuldenaars van zijn heer, één voor één,
en zei tot de eerste:
Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig?
Deze antwoordde: honderd vaten olie.
Maar hij zei:
Hier hebt ge uw schuldbekentenis;
ga gauw zitten en schrijf: vijftig.
Daarop vroeg hij nog aan een tweede:
En hoeveel zijt gij schuldig?
Deze antwoordde: Honderd maten tarwe.
Hij zei hem:
Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf tachtig.
De heer prees het in de onrechtvaardige rentmeester
dat hij met overleg had gehandeld, want de kinderen van deze wereld
handelen onderling met meer overleg dan de kinderen van het licht.”


Homilie  

“Er was eens een rijk man die een rentmeester had."
Dat is nu precies wat wij zijn: rentmeester. Wij zijn geen bezitter, geen eigenaar; niets kunnen wij het onze noemen, en zeker kan ik niets het mijne noemen, zelfs niet de cel, die voor ieder van u (de zusters van priorij Nazaret) privé terrein is, die ieder van u deelt met God alleen. Ook dát stukje ruimte bent u nog gewend 'onze' cel te noemen. Ons geloofsgoed is dat niets ons eigendom is en dat we nergens recht op hebben. De Joden brachten dat tot uitdrukking in het gebruik om hun eerstelingen aan God aan te bieden. De eerstelingen van de oogst, de eerstelingen van de oorlogsbuit, van de vruchtbomen, de eerste worp van hun dieren en de eerstgeborene van het mannelijk geslacht moest aan de Heer worden toegeheiligd, als teken van hun erkenning dat God de Heer is. Hij was de Heer van hun gezin, de Heer van hun spullen, van hun goederen én Hij was de Heer van henzelf. Hij is de Eigenaar, de Bezitter van het leven, van óns leven. We zijn niet van onszelf, we zijn van Hem!
Religieuzen die de gelofte van armoede afleggen, geven de eigenlijke verhoudingen weer. Alles wat we hebben, moeten wij beschouwen als hebben we het in bruikleen, als waren wij er rentmeester van. Het kan je worden afgenomen zonder dat je enig recht kunt doen gelden. Dat is een hele opgave. Maar de eigenlijke opgave begint pas, als dat zich gaat uitstrekken over dingen die iedereen zich ongemerkt toe-eigent, zoals: tijd; de tijd die je gekregen hebt om dit of dat werk te doen. Maar ook de spullen die je je gaat toe-eigenen, of je gezondheid. Er wordt al gauw gezegd: dat is van mij. En als iets je wordt afgenomen, dan krijg je vanzelf het idee van: hoe zit dat, het is toch van mij? Nee, alles is van God, je lichaam, je gezondheid, je talenten, je deugden, de sympathie van je medemensen, je eer, ja alles, tot en met je eigen persoon toe. Niet alleen wat je hebt is van Hem, maar ook wat je bent. Je bent zelf van Hem en dat moet je altijd als een besef bij je dragen.

Maar dat geldt evenzo voor mensen die geen gelofte van armoede afleggen. Ook zij kunnen niet in de volle zin van het woord alles het hunne noemen. U zou misschien kunnen zeggen: Ja maar, je hebt toch rijken en armen, je hebt toch mensen die hebben, mensen die rijk zijn en kunnen beschikken over een deposito op de bank om de klappen van het leven op te vangen, die zich tegen de eventualiteiten van het leven kunnen indekken, en je hebt toch mensen die dat niet hebben en kunnen. Je hebt toch mensen, om maar eens in het collectief te spreken, die leven in een staat die zo rijk is dat hij die mensen kan indekken tegen alle mogelijke eventualiteiten: ouderdom, ziekte, ongeluk, aanslagen, geweld, overlijden. Maar er zijn staten die dat allemaal niet kunnen, die zelfs niet in staat zijn om de veiligheid van hun burgers te garanderen. Dat is allemaal waar, maar dan toch zou je eigenlijk moeten zeggen: God is degene die dat wél kan. God is de bank waar je altijd krediet kunt opnemen. Hij is de werkgever die altijd blijft bestaan. Hij is de Koning die in staat is om ten allen tijde de veiligheid van al zijn burgers te garanderen. Hij is de verzekeraar die in staat is om je alle klappen van het leven te doen overleven. Hij is de grote rijkmaker. Wij zijn rijk met Hem, of liever gezegd: Hij is rijk met óns, want wij zijn van Hem. We zijn door Hem geschapen, door Hem van de grootste schuld verlost, door Hem met zijn eigen Zoon begiftigd. Alleen is het de kunst dat je daar ook van leeft. Daarvoor is nodig dat je daar steeds weer voor kiest, dat je, zoals in het evangelie wordt gezegd, met overleg handelt. Want het overleg is niet: hoe krijg ik steeds meer, hoe verrijk ik mijn bewustzijn, mijn innerlijke rijkdom? Maar overleg is: hoe sta ik steeds meer af, hoe laat ik alles wat ik heb, innerlijk los, hoe geef ik dat op? Je moet het goed vinden, dat het je wordt afgenomen en dat je blij probeert te zijn met je armoede, met je gevoel van niets te zijn. Blij met dat je niet alleen niets hebt, maar dat je ook niets bent. Door en door arm, arm van geest.

In iedere eucharistie mogen wij bij de offerande van brood en wijn onszelf en alles wat we ons gaandeweg weer als vanzelfsprekend hebben toegeëigend, loslaten. Dan mogen we bij de consecratie meemaken dat Hij zegt: Dit is mijn Lichaam voor jou, voor alles wat je hebt weggegeven, jezelf incluis. Je bent van Mij, doordat Ik je verworven heb uit de grote schuldeiser, de duivel. Voor die bevrijding heb Ik mijn leven gegeven. Het heeft Mij alles gekost; Ik heb het losgeld betaald voor jouw bevrijding. Zo zijn we dus niet alleen van Hem doordat Hij ons geschapen heeft, maar we zijn ook van Hem doordat Hij ons verlost heeft.