Eerste lezing: Romeinen 14,7-12 [II 367]
Evangelie: Lucas 15,1-10 [II 368]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
Die Man ontvangt zondaars en eet met hen.
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft
en er één van verliest,
laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter
om op zoek te gaan naar het verlorene,
totdat hij het vindt?
En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders,
en hij gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar
en zegt hun:
Deelt in mijn vreugde,
want mijn schaap dat verloren was geraakt heb ik gevonden.
Ik zeg u:
zo zal er in de hemel meer vreugde zijn
over één zondaar die zich bekeert,
dan over negenennegentig rechtvaardigen
die geen bekering nodig hebben.
Of welke vrouw die tien drachmen bezit en één drachme verliest,
steekt niet een lamp aan,
veegt het huis en zoekt zorgvuldig totdat ze die vindt?
En als ze die gevonden heeft,
roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt:
Deelt in mijn vreugde,
want de drachme die ik had verloren heb ik gevonden.
Zo, zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen van God
over één zondaar die zich bekeert.
Homilie
Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er een van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene tot hij het vindt?" Nee, dat doet niemand, een weldenkende herder zou zoiets nooit in zijn hoofd halen. Als hij er een kwijt is, laat hij zeker niet de kudde in de wildernis achter met het risico dat hij die negenennegentig ook nog kwijt raakt. Nee, zo vanzelfsprekend is het niet. En het is al helemáál niet vanzelfsprekend wat deze herder doet: in plaats van ertegen te brommen of het klappen te geven, neemt hij dat loodzware schaap op zijn schouders en draagt hij het vol vreugde naar huis. Een onwaarschijnlijk verhaal om de onwaarschijnlijk grote vreugde van God om de bekering van een zondaar tot uitdrukking te brengen. God is eenvoudig buiten Zichzelf van vreugde, en om die onwaarschijnlijk grote vreugde die er in zijn Hart leeft weer te geven, moet Jezus wel een ongelooflijk verhaal verzinnen. Ja, het is eigenlijk te gek om los te lopen, maar zo ís God, zo dóet Hij.
Nu denkt u misschien dat die negenennegentig anderen niet mee tellen, omdat Jezus zegt: "Zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben." Zou Hij dan niet blij zijn met ons? Hebben we zo ons best gedaan om niet in zonde te vallen, om niet uit de kudde weg te raken, om onder zijn leiding te blijven en dan is Hij er nog niet blij mee ook! U weet dat iedere vergelijking wel ergens mank gaat, er is hier dan ook maar één punt waar de vergelijking opgaat en dat is op het punt van die ene zondaar, hoe God Zich ten opzichte van hem of haar gedraagt. Want dáárbij voelt Hij vreugde in zijn Hart. Die negenennegentig anderen moet je niet naast die ene zondaar zetten, je moet ze niet met elkaar vergelijken, zo van: negenennegentig rechtvaardigen is gelijk aan één zondaar. Nee, je moet ze helemáál niet vergelijken om de onvergelijkelijke, ongeëvenaarde en onweerstaanbare barmhartigheid van God in het licht te zetten. Een feest van vreugde, een feestelijke vreugde, is er in het Hart van God bij iedere zondaar die zich bekeert.
Toen Jezus deze parabel aan het vertellen was, merkte Hij dat de aandacht van de vrouwen uit zijn gehoor even afdwaalde. Zij dachten waarschijnlijk: het gaat natuurlijk weer over de mannen. Nu, zegt Jezus, dan vertel Ik voor hen ook een parabel.
"Welke vrouw die tien drachmen bezit en één drachme verliest steekt niet de lamp aan, veegt niet het huis en zoekt niet zorgvuldig totdat zij die vindt? Tien drachmen is ongeveer tien daglonen; een behoorlijk bedrag dus. En als ze die dan gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen en zegt: Deelt in mijn vreugde, want de drachme die ik had verloren heb ik gevonden." Weer zo'n gek verhaal. Door dat feestje zou die vrouw wat ze had verloren en had teruggevonden, wel weer bijna uitgegeven hebben.
God is dwaas van vreugde wanneer een zondaar zich bekeert. Van vreugde doet Hij iets uitzinnigs, precies zoals in de parabel van de verloren zoon. Toen die verloren zoon bij zijn vader terugkwam, gelastte deze zijn knechts: "Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het" (Lc 15,22-23). Het kon gewoon niet op.
Of in de parabel van de koning die een bruiloftsmaal gaf voor zijn zoon en iedereen uitnodigde. Ze wilden echter niet komen. Maar dat feest van verzoening, dat is dat bruiloftsmaal eigenlijk, moet en zal doorgaan. Dus liet de koning zijn dienaars de mensen van de hoeken van de straten halen, van drukke verkeerswegen. Slechten en goeden, onverschillig wie, als mijn huis maar vol wordt. Mijn huis moet vol worden van feestvierende mensen, want mijn hart is vol van vreugde (Mt 22,1-11).
Een spontane, overgrote vreugde vervult het Hart van God, en deze vreugde stroomt uit over onze zondige aarde, over ons zondige mensen, om ons te laten weten dat dát niet het laatste is. De pijn die wij God aandoen met onze zonden kunnen wij veranderen in een feestelijke, nooit eindigende vreugde.