Dinsdag in de eenendertigste week
         van het oneven jaar
             

Eerste lezing: Romeinen 12,5-16a  
Evangelie: Lucas 14,15-24


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei een der tafelgenoten van Jezus:
“Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods.”
Hij antwoordde hem:
“Zeker iemand gaf een groot maal en nodigde veel gasten.
Op het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar
om aan de genodigden te zeggen: Komt, alles is gereed.
Maar zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen.
De eerste liet hem zeggen:
Ik heb een akker gekocht
en moet die noodzakelijk gaan bekijken;
ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen.
Een tweede zei:
Ik heb vijf span ossen gekocht en moet ze gaan proberen;
ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen.
Weer een ander:
Ik ben zo pas getrouwd; daarom kan ik niet komen.
Bij zijn thuiskomst
bracht de dienaar dat alles aan zijn meester over.
Nu ontstak de heer des huizes in toorn en beval aan zijn dienaar:
Haast je naar de straten en stegen van de stad
en breng de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hier binnen.
Toen de dienaar hem zei:
Heer, wat gij bevolen hebt is gebeurd en nog is er plaats,
droeg de heer zijn dienaar op:
Ga naar de wegen en de binnenpaden
en nodigt de mensen dringend uit binnen te komen,
want mijn huis moet vol worden.
Ik zeg u:
Geen enkel van de mannen die het eerst genodigd waren,
zal van mijn feestmaal proeven.”

Homilie  

We zijn nog steeds aan tafel, en nog steeds hebben er tafelgesprekken plaats. Het zijn pijnlijke opmerkingen die Jezus maakt, de één na de ander. De laatste pijnlijke opmerking is gericht tot de gastheer: "nodigt dan armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen uit" (Lc 14,13). Er valt een diepe, pijnlijke stilte. De mensen kijken naar hun bordje. Niemand weet wat ze daarop zouden moeten zeggen, hoe het nu nog verder moet met het gesprek. Als er zo'n moment, zo'n pijnlijke stilte valt, weten mensen zich daar soms uit te redden door een grapje te maken, er een beetje overheen te lachen, of in zo'n gezelschap van vromen een vrome opmerking te maken. Zo gebeurde het in dit geval: "Een van de tafelgenoten die dit hoorde, zei tot Hem: Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods.” Zoals zij daar bijeen zaten als gasten “op sabbat, in het huis van een van de voornaamste Farizeeën" (Lc 14,1), zo zullen ze straks bij God aan tafel aanzitten in de geest van: we hebben het toch wel goed getroffen met elkaar en wat heeft God het goed getroffen met ons!

Dat kan Jezus niet zomaar laten passeren. Hij antwoordt met een parabel. "Een zeker iemand - waarschijnlijk een rijk man - gaf een groot maal en nodigde veel gasten uit." Ze krijgen een eerste uitnodiging en daar hebben ze allemaal 'ja' op gezegd. Daarin wordt dus eigenlijk een voorstelling gemaakt van wat God doet. God wordt voorgesteld als iemand die Zich van meet af aan voor de mensen inzet, er zijn vreugde in beleeft de mensen gelukkig te maken. "Komt, alles is gereed." De mensen hoeven niets anders te doen dan te komen, aan te schuiven, servet om te doen en het zich goed te laten smaken. God heeft alles voor ons gedaan, al vanaf het begin van de schepping. Zo heeft Hij voor de mens de tuin aangelegd en Adam daarin geplaatst, zodat deze niets anders hoefde te doen dan alleen maar te genieten van wat God voor hem had bereid.

Toen alles voor het feest in gereedheid was gebracht, werd de uitnodiging herhaald, zoals dat gebruikelijk was in de deftige kringen van Jeruzalem. Maar in tegenstelling tot hun eerste instemming, bedanken de genodigden, als bij afspraak, ineens allemaal. De een na de ander begint zich te verontschuldigen. Eigenlijk is dat heel vernederend voor de gastheer. Heb je mensen uitgenodigd, ze hebben toegezegd dat ze zouden komen, je hebt het bruiloftsfeest georganiseerd, alles klaar laten maken, alles in gereedheid gebracht en dan moet je plotseling horen: de heren hebben het te druk. Luistert u zelf maar, dan zult u moeten toegeven dat ik echt niet kan komen: "Ik heb een akker gekocht en moet die noodzakelijk gaan bekijken." Noodzakelijk! Ja, op grond van de zaak. Er valt geen speld tussen te krijgen op dat zakelijke niveau. Maar het niveau is verkeerd, dát deugt niet. De zaak wordt tussen de gastheer en de gast geschoven, en dat is nu juist zo vernederend voor de gastheer. Eigenlijk had de gast moeten zeggen: ik vind ú niet de moeite waard; ik heb wel wat beters te doen dan die maaltijd bij u te gebruiken, dan was hij eerlijker geweest.

Maar geen van allen zeggen ze dat. Ze redden de schone schijn met een smoesje, met een flinterdun excuus. Zo denken ze vrijuit te gaan en laten de heer een blauwtje lopen, maar zonder dat met zoveel woorden te zeggen. Zeiden ze nu maar: ik heb ú niet nodig, ik heb mijn eigen vrienden, ik heb mijn eigen kring, dan zou tenminste duidelijk geweest zijn dat niet de gastheer in gebreke bleef door hen op een zo ongunstige moment te roepen, maar dat ze zelf in gebreke blijven door hun leven zo in te richten dat er geen plaats meer is voor het verbond, voor hun eerste liefde. De een zegt dit, de ander zegt dat. Het zijn allemaal goede dingen: "Ik ben zo pas getrouwd;” “ik heb vijf span ossen gekocht," maar het is níet op God geordend. Het is iets wat tussen henzelf en God geschoven wordt, zoals zoveel mensen het goede misbruiken en niet op God ordenen.

Na deze stand van zaken wordt de heer woedend en zegt zijn dienaar anderen binnen te brengen, onverschillig wie. En wat zijn dat voor soort mensen die hier door de heer worden opgetrommeld? Het zijn stuk voor stuk bedelaars: "armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen." Allemaal mensen uit de onderste lagen van de samenleving. En toen die allemaal binnen waren en er nóg plaats was, droeg hij zijn dienaar op een tweede groep mensen uit te nodigen, "want mijn huis moet vol worden." Dat zijn de mensen van de buitenwegen en de binnenpaden: de landlopers, de vreemdelingen, de heidenen, de daklozen, de geestelijk daklozen. Zij vinden het volstrekt ongelooflijk dat zij binnen mogen komen en vandaar dat zij over hun aarzeling, die zij zeker zouden tonen, moeten worden heen geholpen. "Nodig de mensen dringend uit binnen te komen."

Jezus' luisteraars zullen hun eten vergeten hebben en de pijnlijke stilte, die de man met de vrome opmerking juist trachtte op te heffen, zal alleen nog maar groter geweest zijn. Want Jezus' boodschap zegt dit: uitverkiezing! Het gaat over uitverkiezing, daar begon het mee. Uitverkoren volk, weigering, nieuwe uitverkiezing. Er is een tegenstelling tussen de eerst-geroepenen en de laatst-geroepenen. De eerst-geroepenen zijn de nette lui, en degenen die pas later worden geroepen zijn de armen, de verworpenen, de outcasts, de vogelvrijverklaarden. Is heiligheid en deugdzaam leven voor Jezus dan niet belangrijk meer? Jawel, maar het fundament van alles wat daaraan vooraf moet gaan, waarop moet worden gebouwd, is het besef dat je een zondig mens bent, dat je dat blijft en dat alles dus genade is en geen verdienste.

Uiteindelijk is de moraal van het verhaal: God is niet te stuiten, met of zonder ons. Als de besten zich terugtrekken, de rijksten zich verzetten, de begaafdsten niet meedoen, dan wordt zijn huis vol armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen. Blijkbaar moet je zó zijn om bij Hem thuis te zijn.
Verrast zijn die mensen geweest met de uitnodiging voor zijn hemelfeest, want daar wisten zij niets van. Ze hadden er zich niet op voorbereid, ze hebben er zich niet op kúnnen voorbereiden. Maar ze waren zich ervan bewust dat zij er niet goed op voorbereid waren en dat zij het niet waard waren. Zoals ook wij dat allemaal weten en ook zeggen vóór de heilige communie: 'Heer, ik ben niet waard dat Gij tot mij komt.' Toch is dát de door de tollenaar bepaalde feeststemming: "God, wees mij, zondaar, genadig" (Lc 18,13). God víndt hem de moeite waard!