Heilige Martinus van Tours, bisschop
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Jesaja 61,1-3a [IV 220];
Evangelie: Matteüs 25,31-46 [IV 321]
Inleiding
Vandaag vieren wij het feest van de heilige Martinus van Tours. Hij is de patroon van de Martinusparochie, waartoe wij behoren. Wij vieren hem zoals hij in het wapen van Tegelen staat afgebeeld, als jonge doopleerling en soldaat te paard, met de arme van Amiens zijn mantel delend. Zo wordt hij ook uitgebeeld als hij in de optocht in Blerick meetrekt. Maar bovenal vieren wij hem hier als de nederige, als degene die zich vernederd heeft en zijn laatste bezit deelde met een arme, om zo gelijk te worden aan die vernederde arme en daarin een andere Christus te zijn. Want dat is wat Christus ons heeft voorgedaan en dat blijft Hij door de eeuwen heen doen voor alle armen aan wie Hij zijn Hart heeft gegeven. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid
en vergezeld van alle engelen,
dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie.
Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden
en Hij zal ze in twee groepen scheiden,
zoals de herder een scheiding maakt
tussen schapen en bokken.
De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand,
maar de bokken aan zijn linker.
Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen:
Komt, gezegenden van mijn Vader,
en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is
vanaf de grondvesting der wereld.
Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven,
Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven,
Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen,
Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed,
Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht,
Ik was in de gevangenis, en gij hebt Mij bezocht.
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien
en U te eten gegeven,
of dorstig en U te drinken gegeven?
En wanneer zagen wij U als vreemdeling
en hebben U opgenomen,
of naakt en hebben U gekleed?
En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis
en zijn U komen bezoeken?
De Koning zal hun ten antwoord geven:
Voorwaar, Ik zeg u:
al wat gij gedaan hebt
voor een dezer geringsten van mijn broeders
hebt gij voor Mij gedaan.
En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen:
Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur
dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten.
Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven,
Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;
Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen,
naakt en gij hebt Mij niet gekleed;
Ik was ziek en in de gevangenis
en gij zijt Mij niet komen bezoeken.
Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig
of als vreemdeling of naakt of ziek
of in de gevangenis,
en hebben wij niet voor U gezorgd?
Daarop zal Hij hun antwoorden:
Voorwaar, Ik zeg u:
Al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan
hebt gij ook voor Mij niet gedaan.
En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf,
maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.
Homilie
Wat Martinus kón geven, hééft hij gegeven, namelijk: de helft van zijn mantel, want over de hele mantel kon hij niet beschikken. Romeinse soldaten kregen van het leger een mantel, maar die moesten ze voor de helft zelf betalen. De ene helft was daarom van de soldaat en de andere helft van het leger. Zo was het dus ook met de mantel van Martinus. Zijn helft, die ene helft die van hem was en waarover hij in vrijheid beschikken kon, die gaf hij. Zo gaf hij dus alles wat hij bezat. En door alles te geven wat hij bezat aan kleding, warmte en geborgenheid, gaf hij veel meer dan wat hij werkelijk gaf aan de schaars geklede bedelaar. Hij gaf zichzelf! Hij gaf zijn leven!
Je leven geven, jezélf geven in wat je geeft, dát is christelijke naastenliefde. Dat is de caritas, de bovennatuurlijke naastenliefde. Zoals Moeder Teresa zei: 'liefhebben tot het pijn doet.' Dat leren de mensen van God, ja, dat is zelfs wat ze van God kríjgen. "Wat liefde is hebben wij geleerd van Christus: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven, zegt sint Jan. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze broeders. Want hoe kan de goddelijke liefde blijven in de mens die geld genoeg heeft en toch zijn hart sluit voor de nood van zijn broeder? Kinderen, we moeten niet liefhebben met woorden en leuzen maar met concrete daden" (1 Joh 3,16-19).
De naam van God is Jahweh, dat betekent: "Ik ben die Ik ben" (Ex 3,14), Ik ben er voor u. Heel mijn wezen is een zich voor u vermoeien, een zich met u inlaten. En de mens van zijn kant is niet zomaar een autonoom wezen, die met niemand iets te maken heeft, maar hij is helemaal op God gericht. Hij is een kind van God en dat is hij, omdat God van zijn kant niet vrijblijvend God is in de zin dat Hij Zich wel of niet met de mens kan inlaten. Nee, het zit in zijn wezen, Hij móet en zál Zich voortdurend met de mensen bezighouden. Ze zijn niet meer uit zijn hart weg te branden.
Omdat God een en al tederheid en barmhartigheid is voor de minsten der mensen, voor de geringste, de kleinste, de zondaar, zijn ook de mensen verplicht de ander lief te hebben over alle grenzen heen, over de grenzen van familie, broers en zusters heen. Jezus beschouwt ons ook als zijn broers en zusters. "Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders? En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: Ziedaar mijn moeder en mijn broeders, want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel" (Mt 12,46-50; Mc 3,31-35; Lc 8,19-21)).
Jezus geeft zijn leven voor zijn broeders. 'Dit is mijn Lichaam voor u.' En als wij zijn Lichaam krijgen, dan krijgen wij ook zijn Geest. Een Geest die ons op onze beurt bereid maakt ons lichaam, ons leven in te zetten voor de naasten. Nu denkt u misschien: hier zijn toch zeker geen arme bedelaars, tenzij af en toe aan de poort (van priorij Nazaret) en die krijgen dan van ónze 'Martinus' een paar boterhammen en een kop soep. Maar bínnen de poort zijn toch geen bedelaars? Jawel, zelfs in overvloed! Je hebt zieke en gebrekkige zusters die de hulp behoeven van hun gezonde en sterke medezusters. Of mensen met een chronisch gebrek aan tijd, die eigenlijk altijd moeten bedelen om een beetje tijd. Daar heeft, geloof ik, ieder van u wel last van. Maar je hebt ook nog andere soorten bedelaars. Je hebt de heetgebakerden, die bedelen om een beetje geduld van de anderen. Je hebt de tragen, die het allemaal te snel gaat en je hebt de snellen, de vluggen, die het nooit snel genoeg gaat. Je hebt de evenwichtigen die niet uit het lood te slaan zijn en je hebt de labielen die steeds weer stormen beleven in een glas water. Je hebt de gekwetsten, je hebt degenen die graag het hoogste woord voeren en je hebt de zwijgzamen, je hebt de ingekeerden en de naar buiten gekeerden die alles zien.
Overal zijn 'Martinussen' en bedelaars. En er is altijd wel gelegenheid genoeg om tijd, inleving, meegevoel, geduld, aandacht, aanpassing te geven. Wat dat betreft kan het hier elke dag wel Martinus zijn, altijd wel elf november. Maar het is hier ook elke dag eucharistie, waarin onze grote Martinus niet zijn mantel, maar zijn leven geeft voor de bedelaars die wij zijn.