Zaterdag in de tweeëndertigste week
            van het even jaar
                              Maria op zaterdag
     Heilige Albertus Magnus, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: 3 Johannes 5-8 [III 383];
Evangelie: Lucas 18,1-8 [III 384]


Inleiding    

'Uit wie God is uit geboren!' Dat wordt gezegd van Maria, maar dat kan ook gezegd worden van de zaterdag, want de zaterdag brengt de zondag voort, de Dag des Heren. Daarom wordt Maria geprezen, omdat zij de Heer voortbrengt, zoals de zaterdag de zondag, de dag des Heren, voortbrengt.
Jezus prijst ook zijn leerlingen: "Zalig de ogen die zien wat gij ziet. Ik zeg u: Vele profeten en koningen verlangden te zien wat gij ziet, maar ze hebben het niet gezien; en te horen wat gij hoort, maar ze hebben het niet gehoord" (Lc 10,23-24; Mt 13,16-17). Diezelfde zaligspreking die aan Maria en aan de leerlingen toekomt, kan ook aan u toekomen, want u hoort het woord van God. Laten we het dan ook opnemen, zoals Maria heeft gedaan: "Mij geschiede naar uw woord" (Lc 1,38), door het woord van God, vlekkeloos, onvoorwaardelijk in ons op te nemen, zonder er iets aan af te doen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd leerde Jezus zijn leerlingen in een gelijkenis
dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen.
Hij zei:
“Er was eens in een zekere stad een rechter,
die zich om God noch gebod bekommerde.
Er was ook een weduwe in die stad
die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek:
Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander.
Een tijdlang wilde die rechter niet,
maar daarna zei hij bij zichzelf:
Al bekommer ik mij om God noch gebod,
toch zal ik die weduwe recht verschaffen
om niet langer geplaagd te worden
door haar eindeloze bezoeken.”
En de Heer sprak:
“Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt!
Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen
die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig luistert?
Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen.
Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst
het geloof op aarde vinden?”

Homilie  

“Hij leerde hun in een gelijkenis dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen."
Altijd bidden! Is dat niet een beetje overdreven? Ja, is dat niet volslagen ondoenlijk? Voor mensen in de wereld ondenkbaar, maar voor kloosterlingen toch ook. En voor contemplatieven eigenlijk nog meer, want als die altijd zouden moeten bidden, blijft er helemaal geen tijd meer over voor het werk op hun toch al van gebed rijkelijk voorziene dagorde.

Altijd bidden, dag en nacht bidden, wil natuurlijk niet zeggen: altijd gebeden opzeggen, altijd expliciet bidden. Het wil zeggen: altijd in een gebedshouding leven, altijd onder Gods aanschijn leven, je altijd van Gods tegenwoordigheid bewust zijn. Het wil hetzelfde zeggen als: waakzaam zijn: "Waakt en bidt dat ge niet op de bekoring ingaat" (Mc 14,38).
Om je daarover geen illusies te maken, dient het expliciete gebed. Want hoe gemakkelijk leidt dit altijd bidden zonder expliciet gebed tot werken zonder bidden, tot alleen maar werken, tot helemaal opgaan in het werk en met je hart ver van Hem zijn. Hoe gemakkelijk leidt de leuze 'zingen is dubbel bidden' tot helemaal niet meer bidden en tot helemaal in het zingen opgaan, in plaats van in God op te gaan.

Of dit bij jezelf ook het geval is, dat je hart inderdaad bij God is of bij jezelf, kun je gemakkelijk controleren door je af te vragen of het je moeilijk valt tijd vrij te maken voor het expliciete gebed, of je graag naar het gebed gaat en of je tussendoor met je hart bij Hem bent, dat je onwillekeurig, als het ware vanzelf, aan Hem moet denken, of er van die momenten zijn, dat je hart zomaar ineens warm wordt bij de gedachte aan Hem, of je je aandacht ook bij het expliciete gebed kunt houden of dat je voortdurend verstrooid bent.

Het is de houding van de gelovige. Geloven is voeling houden met het hart van de ander. Geloven in God is voeling houden met het hart van God. Dan kan God Zich ook van zijn kant onmiddellijk meedelen aan iemand die zich zo van harte aan Hem toewijdt. Hij kan iemand laten merken wat Hem aangenaam is, zodat iemand kan aanvoelen wat hij moet doen, wat hij moet zeggen, maar ook wat hij aan God kan vragen en welk gebed God niet aangenaam is en Hij dus ook zeker niet zal verhoren. Zo wist Bernadette Soubirous met een rotsvaste zekerheid dat zij God niet om genezing van haar pijnlijke ziekte moest vragen. De weduwe van het evangelie van vandaag wist met een even grote zekerheid, dat zij moest volharden in haar smeekbede tot de onrechtvaardige rechter.

Als je iets vraagt, moet je dus met je hart meer bij Hem zijn aan wie je vraagt, dan bij wát je vraagt. Dan bid je naar zijn wil, of het overeenkomstig zijn heilige wil is, meer met je hart bij de Gever van het goede dan bij zijn gaven. Dan zal je al meteen in het bezit komen van het "ene noodzakelijk”, “het beste deel" (Luc 10,42). Soms valt dan ook het gevraagde je meteen al in de schoot. Stel iemand vraagt God een ander, die hem groot verdriet heeft aangedaan, van harte te vergeven. Zo'n overgang van wrok naar vergeving is een kolossaal gebeuren. Wanneer je dat echt in geloof doet, zodat je met je hart meer bij het hart van God bent dan bij de verstandhouding met die persoon en bij je eigen ongeordende innerlijk, word je als het ware in Gods vergevingsgezinde hart opgenomen. Dan word je vanzelf anders, milder, vergevingsgezinder, zachtmoediger en nederiger. Jezus zegt toch zelf dat wij dat in de eerste plaats van Hem mogen krijgen: "Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,28-30). Want hoe wordt iemand goed? Door zijn best te doen? Door zichzelf te onderzoeken, door zich te oefenen? Zeker, zonder dat gaat het niet. Maar alle inspanningen zullen vergeefs blijven, als we niet tegelijkertijd met een goed mens omgaan. Bidden is omgaan met de goede God, de bron van alle goedheid, van wie Jezus zegt: "Niemand is goed dan God alleen" (Mc 10,18). Dat gebeurt in het gebed en op een heel bijzondere wijze in de hoogste vorm van bidden, de eucharistie.