Eerste lezing: Titus 2,1-8.11-14
Evangelie: Lucas 17,7-10
Inleiding
In het lied dat we zongen, hoorden we dat de psalmist blij is op te gaan naar het altaar van de Heer, naar zijn tempel in Jeruzalem. Die blijdschap was er al vanaf zijn jeugd. "Gij die mijn blijdschap zijt vanaf mijn jeugd." Eigenlijk was God altijd al bij hem, in de tempel van zijn hart, waar Hij nu, op dit moment, ook is bij ieder van ons. Maken we ons zijn aanwezigheid bewust en laten wij de vreugde van zijn aanwezigheid bij ons in ons hart omhoog komen, om zo hier, in deze tempel, de voltooiing van zijn liefde tot het uiterste, wat de eigenlijke reden is van onze blijdschap, mee te maken. Een liefdevolle aanwezigheid, die in het geven van Zichzelf gaat tot het uiterste.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd sprak Jezus:
Wie van u zal tot de knecht
die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder
bij diens thuiskomst van het land zeggen:
Kom meteen aan tafel en tast toe?
Zal hij niet eerder zeggen:
Maak mijn maaltijd klaar,
omgord je en bedien mij terwijl ik eet en drink;
daarna kun je zelf eten en drinken?
Moet hij die knecht soms dankbaar zijn,
omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?
Zo is het ook met u:
wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd,
zegt dan: Wij zijn onnutte knechten;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.
Homilie
Wie van u
!" Als Jezus zo begint, betekent dat dat Hij een beroep doet op de eigen ervaring bij de toehoorders van zijn preek. Wat Hij gaat zeggen, kan iedereen vanuit zijn eigen ervaring begrijpen en navoelen. Nu, wíj begrijpen het niet, want wij hebben geen ervaring met dat soort verhoudingen, wij kennen die vorm van dienstbetoon niet. Het dienen van toen was dienen met héél je hebben en houwen. Dienaar was je helemaal. Je kon niet voor een stukje dienaar zijn en voor een stukje niet. Je was dienaar of je was het niet. Zoiets als zwanger zijn: je bent het of je bent het niet. Of leven: je bent levend of je bent dood. Half dood is helemaal levend.
Óns dienstbegrip daarentegen geldt voor een beperkte tijd en voor een bepaald terrein. Op die plaats, en voor dat werk en voor zoveel uur per dag. Tot zo ver en niet verder. En we worden er ook nog eens voor betaald. Je bent dienaar van je portemonnee. En voor zover je er niet voor betaald wordt, zoals bij vrijwilligerswerk, doe je het nóg om jezelf erin te vinden. Je welzijn wordt ermee gediend, je zelfontplooiing, en zo dien je er toch ook jezelf mee. Naast je werk heb je ook nog vrije tijd, heb je nog een privé-leven en dat is je eigenlijke leven. Nu, dat was toen ondenkbaar. Je dienen viel samen met je leven, wás je leven. En je leven viel samen met je dienaar zijn.
Er is een parabel waarin het gaat over: "Een koning die zijn dienaars uitstuurde om
" (Mt 22,3). Stel u voor dat een van die dienaren zou antwoorden: 'Sorry, Sire, maar het is vandaag mijn vrije dag', mijn ATV dag, of mijn baaldag. Of: 'Nee, ik heb vakantie, vraag hem maar.' Of: 'Ik heb een beetje hoofdpijn' of 'ik ben zo moe.' Op die manier zouden die knechten niet de koning dienen, maar zou de koning de knechten dienen! Misschien vraagt u zich af of het niet mensonwaardig is om met heel je hebben en houwen, met je leven, met je privé-leven met alles erop en eraan, met je vrouw en kinderen in dienst te staan van een ander? Is dat niet manipuleren met menselijke wezens? Ja, dat zou het zijn in de dienst van de ménsen, en het is maar goed dat wij daarvan verlost zijn. We hoeven niet terug naar de Middeleeuwen.
Maar in de dienst van God gaat dienen en gehoorzamen gepaard met liefde. Het is gehoorzaamheid in liefde! Het is liefdevolle gehoorzaamheid! Het model om God te dienen, is het liturgische dienen. Dat is het dienen waarvoor die man in de psalm, die wij als inleidingspsalm hebben gezongen, zich opmaakte toen hij optrok naar de tempel, in blijdschap. Want daar in de tempel, waar hij God ging dienen, was hij op de eerste plaats een dienaar die door zijn Heer wérd bediend, namelijk bediend van zijn liefde.
Het eerste wat je in de omgang met de Heer te horen krijgt is: "De Heer is met u, Ik woon bij u, Gij hebt genade gevonden bij God" (Lc 1,28-31), zegt de engel tegen Maria en de dienst die er daarna van haar gevraagd wordt: 'Wil je de moeder van mijn Zoon worden?' wordt dan ook opgevat als een liefdesdienst, en daarop is maar één antwoord mogelijk: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord" (Lc 1,38). Graag! Ik ben een en al dienst! Wat zou ik anders kunnen zeggen en doen, dan daar 'ja' op zeggen? Dan zeg ik niet alleen 'ja' op U, dan zeg ik ook 'ja' op mijn wezen.
Dat liefdesbetoon van God, je opgenomen weten in zijn liefde, gaat zó ver dat Hij niet gekomen is om gediend te wórden, maar om te dienen, om óns te bedienen; om Zichzelf te geven, zodat wij van zijn liefde kunnen leven, zodat wij van het teken van zijn liefde kunnen eten, ons daaraan voeden en daardoor in staat zijn eenzelfde soort leven te leiden, een leven van zelfloze dienstbaarheid, waarbij wij bij alles wat wij doen niet zozeer dat 'doen' geven, maar ónszelf geven.