Donderdag in de tweeëndertigste week
             van het even jaar
Eerste lezing: Filemon 1,7-20
Evangelie: Lucas 17,20-25


Inleiding
 

'Adorate Deum!', dat waren de twee eerste woorden van de inleidingzang. In 'adorate' zit het woord 'orare': bidden, ad-orare is aan-bidden. Wat stellen we ons voor bij deze wijze van bidden, bij aanbidden? Je stelt je voor dat iemand uiterlijk, in zijn aanbiddingshouding, zijn innerlijke houding weergeeft, hij ligt neer in aanbidding, hij knielt, of hij buigt het hoofd, het lichaam. Aanbidden is een wijze van bidden waarbij men God helemaal God laat zijn, en waarbij men zichzelf helemaal schepsel laat zijn, een schepsel in de staat van in zonden gevallen zijn, in de staat van een dubbele vernietiging. Deze dubbele vernietiging is het niets waaruit wij zijn geschapen, maar ook dat negatieve niets waarin men zijn ondergang, zijn tweede dood tegemoet snelt. Wanneer wij aanbidden laten wij ons in dat niets verzinken, om Hem onze Schepper en Verlosser te laten zijn, om Hem helemaal God te laten zijn. Hij richt ons innerlijk op, Hij vangt ons op, uit het geschonden bestaan herstelt Hij ons tot een nieuw bestaan, tot een nieuwe mens, helemaal levend van Hem, in natuur en genade. Dat is een totaalgebeuren, dat kan een mens niet uit zichzelf. Wij hebben Iemand op onze levensweg meegekregen, Jezus, die ons voorgaat in het doorléven van die dubbele vernietiging van Zichzelf. Zo durven wij het aan.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Jezus door de Farizeeën de vraag werd gesteld,
wanneer het Rijk Gods zou komen, gaf Hij hun ten antwoord:
“De komst van het Rijk Gods kunt ge niet waarnemen.
Men kan niet zeggen: Kijk, hier is het of daar is het.
Want het Rijk Gods is midden onder u.”
Verder zei Hij tot zijn leerlingen:
“Er zal een tijd komen, dat gij zult wensen
één dag van de Mensenzoon te zien,
maar gij zult de Mensenzoon niet zien.
Als men u zal zeggen:
Zie, Hij is daar, of: Zie, Hij is hier,
gaat er dan niet naar toe en volgt ze niet.
Want wanneer zijn dag komt,
zal de Mensenzoon zijn als de opflitsende bliksem,
die schittert van het ene einde van de hemel tot het andere.
Maar eerst moet Hij veel lijden
en door dit geslacht verworpen worden.”

Homilie
 

De Farizeeën stellen Jezus eigenlijk een voor de hand liggende vraag: 'Wanneer komt het Rijk Gods? Wanneer zal dat plaats vinden?' Het is dezelfde vraag die de leerlingen stellen op Jezus' woord: "Er zal een tijd komen dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, alles zal verwoest worden (Lc 21,6; Mt 24,2). “Ze vroegen Hem nu: Meester, wanneer zal dat dan gebeuren?" (Lc 21,7; Mt 24,3). Een voor de hand liggende vraag, want was dat niet waar de Joden op wachtten? Jozef van Arimathéa leefde "in de verwachting van het Rijk Gods" (Lc 23,51), en Simeon, een wetgetrouw en vroom man, "verwachtte Israëls vertroosting” (Lc 2,25). En was het niet de komst van het Rijk Gods die Jezus predikte? Daartoe zond Hij toch zijn leerlingen uit. En heeft Hij niet gezegd: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij" (Mc 1,15). Wat is er dan logischer dan de vraag: 'Wanneer zal dat dan geschieden?'

En toch is dat een vraag die je niet moet stellen, want het is een vraag in dezelfde geest als die vraag: "Heer, zijn het er weinig die gered worden?” (Lc 13,23). Of: “Meester, laat ons een teken zien uit de hemel" (Mt 16,1; Mc 8,11; Lc 11,16). Met zulke vragen plaatsen mensen zich buiten de situatie. Stel dat er ergens een ongeluk gebeurt, of er breekt brand uit, de mensen zoeken een goed heenkomen, maar iemand slaagt daar niet in, en midden in dat brandende huis vraagt hij aan een brandweerman: 'hoeveel zullen er gered worden?' Alsof hij zelf niet bij die brand betrokken was. Zijn eigen huis staat in brand! Zo'n vraag naar wanneer het Rijk Gods zal komen, stel je als je ervan uitgaat dat je in je eigen tijd leeft, dat je in die tijd zelf het heft in handen hebt en dat het Rijk Gods later zal komen.

Zo'n vraag stellen mensen over hun dood. Hoe lang zal het nog duren? Zoveel jaren? Zoveel maanden? Dat schept een soort afstand. Nee, die vraag moet je jezelf niet stellen, want je bent nu al in het doodgaan betrokken. Je bent al aan het doodgaan. Je kunt die vraag 'wanneer zal dat gebeuren' niet stellen, want je zit er middenin. Hoever je ook in de tijd verwijderd bent van het moment van sterven, je leeft nu al een leven van doodgaan. Vanaf je geboorte begin je al te sterven, leef je naar de dood toe, leef je een leven van doodgaan. Dat wordt zichtbaar, dat treedt naar buiten in kinderen die dood worden geboren, of helemaal niet geboren worden door een misgeboorte, die zijn al dood voordat zij tot leven komen. De dood maakt dus zozeer deel uit van het leven, dat de vraag 'wanneer zal ik sterven' een dwaze vraag is. Je zit er al volop in. Het is niet iets van later, het is iets van nu.

Zo is het met de dood en zo is het ook met het Rijk Gods. Je kunt van het Rijk Gods niet zeggen: "Kijk, hier is het of daar is het,” of: nu is het of straks is het, “want het Rijk Gods is midden onder u." De komst van de Mensenzoon is nu al in de tijd begonnen. Zoals de dood, zo mag je ook het antwoord op de dood zien. We leven een leven van dood en leven. Het echte leven is ook helemaal om ons heen. Zoals het doodgaan een soort definitieve doorbraak is van het levenslange doodgaan, het sterven een uitbarsting van doodgaan, zo is dat ook met het Rijk Gods. Het is er al, maar er zal ook nog eens een volledige doorbraak zijn van dat leven, van dat Rijk. Dat is de wederkomst van de Mensenzoon. Je hoeft je dus niet af te vragen: waar is dat, wanneer zal dat zijn? Het is er nu al en eens zal het er helemaal zijn.

Het Rijk Gods, in zijn verborgen gedaante, is er al, overal en helemaal, dat is wat we in de eucharistie vieren. Het sacrament is niet alleen maar een teken, het bevat wat betekend wordt. Een teken is iets wat buiten zichzelf verwijst naar iets anders. Maar een sacramenteel teken is een teken dat wat het betekent buiten zichzelf, ook in zichzelf, hier en nu, al bevat. Dat wordt ook weergegeven in uw leven van altijddurende aanbidding. Hij is er altijd, helemaal, nu al.