Eerste lezing: Wijsheid 13,1-9
Evangelie: Lucas 17,26-37
Inleiding
'Geef ons vandaag een teken van liefde.'
'Wij willen U zien.' Mozes wilde Gods glorie aan zich geopenbaard zien. Maar niemand kan Mij zien, mijn gelaat zien, en in leven blijven. Hij sterft. Men moet eerst dood, dan kunnen we God zien. Dat is de voorwaarde om Hem te zien en zijn liefde te ontwaren in de tekenen om ons heen en ook in de tekenen in ons eigen hart.
Belijden wij onze schuld, dat wij die weg niet willen gaan, niet willen afsterven aan onszelf, en zo zelf de weg versperren om Hem te kunnen zien.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Zoals het was in de dagen van Noach
zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon.
Zij aten en dronken, huwden en werden ten huwelijk gegeven
tot op de dag waarop Noach de ark binnenging
en de zondvloed kwam die allen verdelgde.
Of zoals het was in de dagen van Lot;
zij aten en dronken, kochten en verkochten,
plantten en bouwden,
maar de dag dat Lot uit Sodom vertrok
regende het uit de hemel brandende zwavel, die allen verdelgde;
zo zal het ook zijn
op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart.
Wie zich die dag op het dak bevindt
terwijl zijn bezittingen binnenshuis zijn,
moet niet naar beneden komen om ze te halen;
en zo moet wie op het land is, niet terugkeren.
Denk aan de vrouw van Lot.
Wie zijn leven tracht te redden zal het verliezen,
maar wie het verliest zal het behouden.
Ik zeg u: als er in die nacht twee in een bed liggen,
zal de een worden meegenomen en de ander achtergelaten.
Als twee vrouwen samen bezig zijn met malen
zal de een worden meegenomen en de ander achtergelaten.
Toen zijn leerlingen Hem daarop vroegen:
Waar, Heer?
Antwoordde Hij hun:
Waar het lijk ligt, daar zullen zich de gieren verzamelen.
Homilie
Hoe is het mogelijk dat de mensen wel de werken van de Schepper en niet de Schepper zelf zien? De wijzen van het boek der Wijsheid staan er verbaasd over, dat de mensen met al hun wijsheid God niet hebben gevonden. Ze zien wel zijn werken, maar niet de Kunstenaar van die kunstwerken. Ze zijn in plaats van door te stoten naar de Schepper die schepselen zelf voor God gaan houden. "Het vuur, de wind, de trillende lucht, of de sterrenwereld, het geweld van het water, of de lichten aan het uitspansel zijn ze gaan beschouwen als goden die de wereld besturen." Ze zijn doorgedrongen tot de kennis van de wereld, maar hoe is het dan mogelijk dat zij de Heer van die wereld niet hebben ontdekt?
"De mensen dwalen wel, maar ze zoeken toch God en ze willen Hem vinden." 'Ja', zegt Augustinus, 'dat heb ik ook gedaan. Ik heb U gezocht in de mooie werken, in de mooie dingen buiten mijzelf, maar te laat heb ik U bemind, Schoonheid, zo oud en zo nieuw. Laat heb ik U bemind. Ach, U was binnen in mij en ik was buiten. Ik was buiten U. Ik zocht U buiten en ik begreep niet de zin van die mooie dingen die Gij gemaakt hebt.'
Wat is de zin van de mooie dingen? De zin van de mooie dingen ligt niet in de mooie dingen zelf! De zin van alles ligt buiten de dingen zelf. Dus de schoonheid van de schepping moet de mensen naar de Schepper toe leiden, maar in feite worden de mensen ook van de Schepper af geleid. Want eerst moet je God hebben ontdekt in jezelf. Zoals Augustinus ergens anders zegt: 'God is inwendiger dan mijn allerinwendigste ik.'
Dat de mensen God niet vinden, komt omdat zij hun ogen gericht houden op alles wat buiten hen is. Ze staren zich blind op de schoonheid van de schepping. Je zou kunnen zeggen: ze zoeken God langs de kortste weg. Maar in feite is het de langste weg; het is de omweg. De kortste weg naar God toe is de weg naar binnen.
Toch wordt er van die weg naar binnen ook wel gezegd, dat dat de langste weg is. Dat is ook zo. Het duurt heel lang voordat je in je binnenste inderdaad God gevonden hebt, want voordat je God op de weg naar binnen gevonden hebt, kom je een andere god tegen, en dat ben je zelf, dat is je eigen 'ik'. Zoals je dat op de weg naar buiten toe tegenkomt, - "ze hebben van deze dingen (Gods werken) goden gemaakt" - zo kom je dat ook tegen op de weg naar binnen toe. Je komt iemand tegen die zichzelf tot god heeft gemaakt, die eigen rechter wil spelen en zijn eigen wil door alles heen probeert door te zetten. Nu, díe god moet je loslaten om God te kunnen zien.
Jezus zegt dat ook in het evangelie van vandaag: "Wie zijn leven tracht te redden, zijn 'ik' tracht te redden, zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden." Dat is heel goed te merken in het gewone leven waar de mensen mee bezig waren in de tijden van de ondergang van Sodom en Gomorra, in de tijden van de ondergang van de wereld: de zondvloed. De mensen waren bezig met het gewone leven, ze aten en dronken, kochten en verkochten, plantten en bouwden, en kwamen in de verleiding om daarbij stil te blijven staan, om daarin op te gaan, om daarin het heers en meesterschap naar zichzelf toe te trekken.
Mensen zijn gefixeerd op de wereld buiten zich, om daarin, hoe klein dat gebied ook moge zijn, zelf als een god te zijn. Zo kunnen ze niet ervaren hoe God in alles voor hen zorgt. Zijn zorgende, koesterende, voedende aanwezigheid is altijd om je heen. Als je dat niet ziet, dan komt dat doordat je jezelf in de weg staat bij de weg naar binnen en bij de weg naar buiten toe.
Hij komt nu, Hij openbaart Zich nu en is daarbij niet gehinderd door eigenliefde. Hij geeft Zich nu aan u zoals Hij is: een voedende, zorgende Aanwezigheid.