Zaterdag in de twee-endertigste week
           van het oneven jaar
                            Maria op zaterdag


Eerste lezing: Wijsheid 18,14-16.19,6-9  
Evangelie: Lucas 18,1-8


Inleiding  


'De Heer Jezus gaf het leven.' En wat deed Maria? Zij gaf aan Jezus het leven en dat doet zij nog steeds. De zaterdag, die gewijd is aan Maria, brengt in zekere zin de zondag, de dag des Heren, voort. Elke keer als wij de eucharistie vieren, vieren wij het leven dat uit de hemel komt en tegelijkertijd het leven, het lichaam, dat van Maria komt, haar vlees en bloed. Gods leven is zo dicht bij de mensen gekomen, het is uit een mens geboren, en wij mogen het nu uit mensenhanden ontvangen. Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij wel van mensen maar niet van God willen ontvangen, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd leerde Jezus zijn leerlingen in een gelijkenis
dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen.
Hij zei:
“Er was eens in een zekere stad een rechter,
die zich om God noch gebod bekommerde.
Er was ook een weduwe in die stad
die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek:
Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander.
Een tijdlang wilde die rechter niet,
maar daarna zei hij bij zichzelf:
Al bekommer ik mij om God noch gebod,
toch zal ik die weduwe recht verschaffen
om niet langer geplaagd te worden
door haar eindeloze bezoeken.”
En de Heer sprak:
“Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt!
Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen
die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig luistert?
Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen.
Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst
het geloof op aarde vinden?”

Homilie  

“Jezus leerde zijn leerlingen in een gelijkenis dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen."
Steeds bidden? Dat is een van die woorden die echt passen bij God: steeds, altijd, helemaal, overal en alles. Mensenwerk is altijd betrekkelijk, relatief, fragmentarisch, een beetje; hoe dikwijls gebruiken wij dat woord niet? Een beetje of een heel klein beetje, of even, of heel even en misschien. En als mensen verder gaan dan dat, dan heten ze fanatiek, extreem fundamentalistisch. Als er bij iemand voor niets en voor niemand anders meer plaats is dan alleen voor zijn hobby of liefhebberij, dan wordt hij een 'freak' genoemd. Of als hij dat in zijn vak is: een vakidioot; of als hij dat voor zijn vriend of zijn vriendin is: een idool. Als mensen een beetje hard lopen, wordt er al gauw gezegd: hardlopers zijn doodlopers. En bij een machthebber, als macht hem alles is: een tiran.

Alles en altijd, overal en helemaal, gaat de menselijke maat te boven. Maar hoe is dat dan in het huwelijk? Dat is toch voor altijd en helemaal? En in de eeuwige geloften? Ja, daar gaan die absolute woorden wel op, maar daar worden dan ook bovenmenselijke krachten aan het gewone menselijke toegevoegd (door God). Het zijn sacramenten.
In je verhouding tot God veronderstelt altijd bidden, dat je altijd in een volstrekte noodsituatie verkeert. Zoiets als die vriend die midden in de nacht bij zijn vriend aankomt (Lc 11,5), zoals de kleine kinderen tegenover hun ouders; die zijn zonder hun ouders helemaal nergens, zij kunnen geen moment zonder hun toezicht, hulp, bescherming, zorg.

Zo is de weduwe uit het evangelie een beeld van hoe de situatie is van de mens tegenover God. Daarvoor is geloof nodig, en daarmee eindigt het evangelie. "Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?" Mensen hebben het gevoel dat God ver weg is. Jezus verkondigt: 'Nee, Hij luistert en Hij zal zo gauw Hij maar kan, in de nood voorzien, áls er maar geloof is. Maar zal dat geloof er nog wel zijn als Ik kom?' God luistert, maar zullen de mensen wel blijven roepen?

Geloven betekent dat je weet dat God niet onbewogen is bij wat je Hem toevertrouwt. Dat je niet tegen een muur staat te praten. Dat je woorden en je verlangens niet in de leegte vallen, maar dat ze aankomen bij een Hart dat luistert, dat attent is en dat bewogen is. "Hij zal hun spoedig recht verschaffen." Hij zal niet onbewogen blijven. Dat zegt dus iets over het Hart van God, en dat Hart heeft een warmte, een bewogenheid voor zijn uitverkorenen. Dat je een uitverkorene bent, wil nog niet zeggen dat je niets zal overkomen. Jezus is Vaders Uitverkorene. "Deze is mijn Zoon, de Uitverkorene”, zegt de stem uit de wolk boven op de berg (Lc 9,35). En wat zeggen de mensen: “Anderen heeft Hij gered; laat Hij Zichzelf eens redden, als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!” (Lc 23,35)
Als uitverkorene van God kun je dus best bij de mensen verworpen zijn. God kiest zelfs met opzet uit wat door de wereld wordt verworpen. “Wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren. Wat niets is, heeft Hij uitverkoren om teniet te doen wat iets is” (1 Kor 1,28). “Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen" (1 Kor 1,27).

Weet je dus een uitverkorene van God. Weet dat je een warm plekje hebt in het Hart van God, dan beleef je je nood heel anders. Dan komt er een uitzicht, een perspectief in je perspectiefloze nood. Je nood is dat er geen uitzicht is. Voor gelovigen is er altijd een uitzicht. God ziet je in je nood en Hij blijft met zijn Hart warm en bewogen, ook al kan Hij nog niet helpen omdat je er nog niet voor openstaat, of omdat het nog niet goed voor je is.