Donderdag in de drieëndertigste week
           van het even jaar
Eerste lezing: Apokalyps 5,1-10 [III 391];
Evangelie: Lucas 19,41-44 [III 392]


Inleiding      

'Het brood dat wij breken geeft gemeenschap met het Lichaam van Christus.' Waarom met het Lichaam van Christus? Waarom niet met Christus? Omdat Christus meer is dan Christus, omdat Christus de Kerk is. De Kerk is het Lichaam van Christus. Het brood dat wij breken geeft dus gemeenschap met Christus, met het Lichaam van Christus, de Kerk, en met elkaar. Maar in dat gemeenschap hebben met het Lichaam van Christus komt er een opgave bij voor ons, en dat is dat wij ook elkaar moeten opnemen zoals Christus ons opneemt, met goed en kwaad. De tijd waarin wij leven is de tijd van de barmhartigheid, zegt Jezus. "Omdat gij de tijd niet hebt erkend waarin barmhartig op u werd neergezien." Als wij dus gemeenschap hebben met het brood van Christus, met het Lichaam van Christus, dan betekent dat, dat wij elkaar moeten nemen zoals we zijn, met goed en met kwaad. Dat wij barmhartig, mild zijn ten aanzien van het kwaad dat wij in onszelf dragen en ten aanzien van het kwaad in de ander. Als we ergens onze zonden in zouden moeten zoeken aan het begin van deze viering, zou het dan niet daarin moeten zijn, dat wij de tijd niet hebben erkend waarin barmhartig op ons werd neergezien, dat wij het recht hebben laten zegevieren boven de genade, kritiek boven vergiffenis.
Wenden wij ons dan tot God, bekeren wij ons hart, zodat wij het brood dat wij breken willen zien als genadebrood.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd naderde Jezus Jeruzalem.
Hij liet zijn blik over de stad gaan
en weende over haar, terwijl Hij zei:
“Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt!
Maar nu is dat  voor uw ogen verborgen.
Er zullen dagen over u komen,
dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen,
u omsingelen en u van alle kanten insluiten;
zij zullen u, met uw kinderen die in u wonen, neersmakken
en zij zullen in u geen steen op de andere laten,
omdat gij de tijd niet hebt erkend
waarin barmhartig op u werd neergezien.”

Homilie      

“In die tijd naderde Jezus Jeruzalem, Hij liet zijn blik over de stad gaan …"
Dat moet een schitterend gezicht zijn geweest, de tempel en de bijgebouwen schitterend in het zonnelicht, want zelfs de leerlingen merkten op: "Meester, kijk eens, wat een stenen en wat een gebouwen!" (Mc 13,1) Maar Jezus ziet niet zozeer die gebouwen van steen, als wel de harten van steen, de versteende harten en wat daar het gevolg van zou zijn, en "Hij weende over haar." Jezus weende over Jeruzalem. Het woord 'wenen' zou de indruk kunnen geven dat Jezus een paar tranen stort, dat het een ingehouden wenen is. Maar het woord dat hier in de oorspronkelijke tekst staat, is het woord dat ook gebruikt wordt voor het rouwbeklag. Eigenlijk zou de vertaling moeten luiden: Hij barstte uit in luid geween. Hij schreeuwde het uit.

Dat Jezus uitbarstte in een rouwklacht is te begrijpen, het kan ons doen doordringen in het grote geheim van Jezus. Wat is de reden waarom Jezus zo in rouwklacht uitbarst? Hij geeft daarop zelf het antwoord: "Omdat gij de tijd niet hebt erkend waarin barmhartig op u werd neergezien." De tijd? Welke tijd? We moeten daar de tijd van Jezus onder verstaan, de weersgesteltenis van nu, het seizoen van Gods barmhartige liefde. De goddelijke weersgesteltenis van de genade, dát is de tijd van Jezus. Tussen de boosheid van de mensen en de daarop volgende straf, het oordeel, heeft God een tussentijd van barmhartigheid en genade geplaatst. "Omdat gij de tijd niet hebt erkend waarin barmhartig op u werd neergezien."

Eens zal er een strafgericht komen, de toorn van God zal losbreken over onze zonden. Dat is het laatste oordeel. Die dagen worden voorzien met de dan plaatsgrijpende rampen, die nog wel niet het laatste oordeel zijn, maar iets van dezelfde kwaliteit hebben. Ze worden in ieder geval geassocieerd met het laatste oordeel. "Er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen, u omsingelen en u van alle kanten insluiten; zij zullen u, met uw kinderen die in u wonen, neersmakken en ze zullen in u geen steen op de andere laten.” Een aaneenschakeling van rampen, zoals bij het laatste oordeel. En waarom? “Omdat gij de tijd niet hebt erkend waarin barmhartig op u werd neergezien." Daarom barst Jezus in wenen uit; daar stuit Jezus op de grens van zijn macht, die gebonden is aan en afhankelijk van onze vrijheid.

De rampen die de wereld overkomen mogen ook gezien worden als tekenen van barmhartigheid. In die rampen krijgen wij gelegenheid boete te doen. Jezus staat stil bij Jeruzalem, op die hoogte van waaruit Hij Jeruzalem kan overzien, en daar barst Hij in wenen uit, maar Hij gaat naar Jeruzalem en daar zal aan Hem worden voltrokken wat ons zou moeten overkomen. Dat is het grote geheim waarover men in de wereld moet zwijgen en waarover men in de hemel moet zwijgen, omdat men dat geheim niet kende. "Niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde was bij machte het boek te openen en te lezen.” … “Niemand werd waardig bevonden het boek te openen en te lezen,” zegt Johannes in de eerste lezing. Alleen Jezus kan het ons openbaren, “de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, Hij heeft overwonnen. Hij zal het boek openen en de zeven zegels verbreken."

Hoe doet Hij dat dan? Door in een rouwklacht uit te barsten! In een rouwklacht uitbarsten gebeurt wanneer er iemand dood gaat. Dus als Jezus in een rouwklacht over Jeruzalem uitbarst, doet Hij dat omdat Jeruzalem dood gaat. Jezus kwam het leven brengen, ze kregen genadebrood te eten, maar dat leven hebben ze afgewezen en dat betekent voor hen de dood. Daarover barstte Jezus uit in een rouwklacht en door er zo aan te lijden, geestelijk aan te lijden, daardoor heeft Hij voor hen het leven teruggewonnen. Wij leven van de boete van Jezus, en daardoor kunnen wij ook omgaan met het kwaad dat wij niet kunnen verhinderen, het kwaad dat in de wereld geschiedt, het kwaad dat misschien ook in je eigen hart geschiedt. Als je daaraan lijdt, als je daar pijn aan hebt en die pijn ook wilt lijden, wilt dragen, dan wordt het kwaad weer goed gemaakt. Zo wordt al het kwaad van de wereld schoongewassen in het Bloed van Jezus, in het hartenbloed van Jezus. Het heeft zijn hart pijn gedaan en nog steeds gaat Hij in de christenen door met lijden aan het kwaad om zo het kwaad te verlossen.