Heilige Margareta van Schotland
Heilige Elisabeth van Hongarije, kloosterling
Eerste lezing: Apokalyps 1,1-4.2,1-5a [III 385];
Evangelie: Lucas 18,35-43 [III 386]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen Jezus eens Jericho naderde
zat er langs de weg een blinde te bedelen.
De man hoorde veel volk voorbijtrekken
en vroeg wat er te doen was.
Men vertelde hem dat Jezus de Nazoreeër voorbijging.
Nu begon hij te roepen:
Jezus, Zoon van David,
heb medelijden met mij!
Die voorop liepen snauwden hem toe te zwijgen,
maar hij riep nog veel harder:
Zoon van David,
heb medelijden met mij!
Jezus bleef staan
en gebood dat de blinde bij Hem gebracht zou worden.
Toen de blinde naderbij gekomen was, vroeg Jezus hem:
Wat wilt ge dat Ik voor u doe?
Hij antwoordde:
Heer, maak dat ik zien kan!
Jezus sprak tot hem:
Word ziende!
Uw geloof heeft u genezen.
En terstond kon hij zien
en volgde Jezus, terwijl hij God verheerlijkte.
Toen heel het volk dat zag bracht het eer aan God.
Homilie
Sint Jan en Jezus, allebei maken ze blinden ziend. Blind was de Kerk van Efeze. Deze Kerk beroemde zich op haar daden, haar standvastigheid en inspanningen. Slechte mensen hebben zij niet verdragen en uit hun midden geweerd. "Hen die zich apostelen noemen maar het niet zijn, hebt gij op de proef gesteld en leugenaars bevonden. Ook hebt gij standvastigheid; gij hebt omwille van Mij zware lasten gedragen zonder te bezwijken." De roem van een martelaarsverleden hing rond de Kerk van Efeze. Maar hoe gemakkelijk kan een Kerk in een tijd van rust geestelijk vervlakken. Hoe moeilijk is het om de spanning vol te houden, om niet op je lauweren te gaan rusten en niet tot een zekere zelfgenoegzaamheid te geraken. Een tijd van vervolging en Godsvertrouwen bracht mensen tot grote deugd. Een tijd van rust en welvaart brengt de mens tot zelfvertrouwen, tot zelfoverschatting: "maar Ik heb tegen u dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven. Bedenk van hoe hoog gij gevallen zijt."
Sint Jan was een ziener. Een adelaar. Hij keek dwars door de wereld heen. Hij keek dwars door façades heen. Hij maakte ook anderen ziende. Ze staarden zich blind op een roemrijk verleden, maar merkten niet hoe zij van de inhoud van dat verleden innerlijk aan het vervreemden waren.
In het evangelie maakt Jezus een blinde ziende. Een blinde bedelaar - zoals de Kerk van Efeze in de tijd van vervolging - helemaal aangewezen op de kracht van een ander: "De man hoorde veel volk voorbijtrekken en vroeg wat er te doen was. Men vertelde hem dat Jezus de Nazoreeër voorbijging."
Het gaat er groots aan toe, er is veel volk op de been, er is kennelijk wat te doen: Jezus de Nazoreeër ging voorbij. Een optocht. De mensen zijn in vervoering. Ze zijn opgenomen in het gebeuren. Het is iets collectiefs. De hele stad vormt één groot 'ik'. Iedereen doet eraan mee. En wie er niet aan meedoet, telt niet. Maar er is er één die de goede stemming bederft. Met zijn geschreeuw trekt hij de aandacht van het gebeuren weg naar zijn eigen persoon. Hij valt uit de toon. Nu is men in het oosten, en zeker toen, wel wat gewend. Bedelaars, blinden en kreupelen horen tot het straatbeeld. Maar zo bont als deze blinde bedelaar het maakte
"Die voorop liepen, snauwden hem toe te zwijgen." Zoals deelnemers aan een manifestatie gebruik maken van de publiciteit rond het gebeuren om nu zelf ook eens in beeld te komen. De hoofdpersoon hoort zich daar niets van aan te trekken. De meelopers menen dan ook niets beter te doen dan de man het zwijgen op te leggen.
Maar deze hoofdpersoon Jezus is anders. Hij staat stil: heel het gebeuren wordt ondergeschikt gemaakt aan dat ene kleine mannetje met zijn grote mond, met zijn grote geloof, met zijn grote helderziendheid. Hij ziet met zijn hart wat die anderen met hun ziende ogen niet kunnen zien: Jezus heeft oog voor de stakkerd langs de weg. Er schuilt liefde in zijn hart, barmhartige liefde. Jezus laat de stakkerd langs de weg niet links liggen. Dat is zelfs zijn passie.
De liefde heeft oog voor het kleine. De liefde is gevoelig voor het kleine gebaar, de lieve attentie, het kleine eerbewijs, de verrassing, de surprise. Grote woorden, grote daden, dat zegt allemaal niet zoveel: "Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven." Waaraan was dat te merken? Dat was nauwelijks te merken, behalve voor de apostel van de liefde.