Vrijdag in de drieëndertigste week
          van het even jaar
                  Opdracht van de heilige maagd Maria in de tempel
                                             (eigen lezingen)


Eerste lezing: Zacharia 2,14-17 [IV 176];
Evangelie: Matteüs 12,46-50 [IV 181]


Inleiding      

Vandaag vieren we de gedachtenis van Maria presentatie, Maria's toewijding, opdracht, in de tempel. We vieren dat Maria door haar ouders naar de tempel werd gebracht om haar aan God toe te wijden, en in de tempel een aan God toegewijd leven te leiden. Haar ouders nemen haar mee, weg van haar warme nest, van de ouderlijke geborgenheid, en vertrouwen haar toe aan vreemde vrouwen, die niet haar moeder zijn en niet haar zussen. Ze verblijft niet meer in haar eigen kleine omgeving, in dat kleine stadje Nazareth, maar gaat naar het grote, vreemde Jeruzalem. Hoe kunnen ze daar nu een feest van maken? Er komen hier (in priorij Nazareth) wel eens kleine kinderen en die vinden het voor een keertje best interessant om hier te zijn, vooral omdat die vrouwen allemaal zo vriendelijk zijn en aandacht aan hen schenken. Maar om die kleine kinderen hier altijd te laten verblijven, dat kun je zo'n kind toch niet aandoen? En toch, hoeveel grote heiligen zijn er niet, die al als heel klein meisje of jongen door hun ouders naar een klooster werden gebracht om ze daar te laten opvoeden? Denk maar aan Gertrudis, van wie wij onlangs het feest gevierd hebben, aan Mechtildis van Diessen, die als kind van vijf jaar door haar ouders aan de kloostervrouwen van het nabije klooster werd toevertrouwd om haar daar te laten opvoeden. Dat was in die tijd een gewoonte in adellijke kringen. Bij de mannen kennen we het geval van Maurus en Placidus. Ze werden nog als kinderen door hun ouders aan Benedictus toevertrouwd. Bij het woord 'klooster' moet men dan denken aan een kloosterschool, en het klooster is dan zoveel als een pensionaat.
Zoiets moet men zich voorstellen bij het feest dat vandaag wordt gevierd: Maria presentatie. Het bestaat al vele eeuwen en is begonnen met voor haar eer een Kerk op te richten in Jeruzalem. Naderhand ontdekte men door opgravingen, dat op de plaats waar die Kerk had gestaan een soort kloosterschool, tempelschool, gestaan moet hebben. Dat betekent dat Maria als klein kind niet zomaar naar de tempel gebracht is en daar gewoond heeft, maar dat ze is opgevoed in de nabijgelegen klooster- of tempelschool. Uiteindelijk is het dus toch niet zo vreemd; zij was daar thuis, zij voelde zich thuis bij God. De ouders van Maria merkten dat zij een vertrouwelijkheid had met God, zoals ze dat van geen ander mensenkind ooit hadden meegemaakt. Waar zou Maria zich dan beter kunnen ontwikkelen in het menszijn dan in zo'n tempelschool? Iets wat heel vroeg begint, blijft ook heel lang zitten.
Dat is nog steeds zo, ook bij ons. Als we ons iets in onze kinderjaren hebben eigengemaakt, dan blijft dat er altijd zitten. Er zijn tegenwoordig zelfs kinderen die leren te aanbidden. Het initiatief daarvan ligt bij een school in Amerika. Een beweging: de 'Kinderaanbiddingsschool'. Die is ook naar Nederland overgewaaid en daar zijn ze onlangs begonnen met de eerste kinderen te onderwijzen in het aanbidden. Zo hebben wijzelf ook het geloof geleerd, het werd ons als het ware met de paplepel ingegeven, en dan wordt het iets natuurlijks, iets eigens.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd, terwijl Jezus tot het volk sprak,
gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden
om te trachten met Hem te spreken.
Iemand kwam Hem nu zeggen:
“Uw Moeder en broeders staan daarbuiten
en willen U spreken.”
Maar Hij antwoordde aan degene die Hem dat kwam zeggen:
“Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?”
En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij:
“Ziedaar mijn moeder en mijn broeders;
want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij,
die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.”

Homilie
     

Maria werd door haar ouders naar Jeruzalem gebracht en aan de vrouwen van de tempelschool toevertrouwd. Haar ouders hadden gemerkt dat Maria een grote vertrouwelijkheid had met God, dat zij met God omging als met haar eigen huisgenoten, als met haar eigen vader en moeder. Ze was gewoon thuis bij God, helemaal aan God toegewijd. En dat wat Joachim en Anna merkten bij Maria, dat merkten Maria en Jozef ook en in een nog veel sterkere mate bij Jezus. Zoals Jezus omging met God was zoiets wonderbaarlijks, zo natuurlijk, zo spontaan, zo van binnenuit. Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader, want Hij sprak God aan met 'Abba', zoals een aramees sprekend Joods kind alleen maar bij zijn eigen vader deed. Het viel Jozef en Maria op dat Jezus zijn aardse vader niet aansprak met abba, die was niet zijn eigen vader. Dat liet Hij merken doordat Hij Jozef niet met abba aansprak. Maria sprak Hij wel met 'imma', 'mamma' aan. Jezus had de mond vol van Abba, en dan sprak Hij altijd over en tot zijn hemelse Vader, als was Hij heel dichtbij in dat huisje in Nazareth.

Hoe weten wij nu dat dat zo gebeurd moet zijn? Omdat de Kerk ons dat leert. Al heel vroeg leert de Kerk ons, dat Jozef niet de vader van Jezus genoemd kan worden, maar de voedstervader, en dat Maria wel de moeder van Jezus genoemd mag worden, de moeder van God. Waar zou de Kerk dat anders vandaan gehaald hebben dan van het heilig huisgezin en de gewoonten die zich daar hadden ontwikkeld in de manier van aanspreken?

Die vertrouwelijkheid met de hemelse Vader wil Jezus ook bij zijn leerlingen zien. Hij wil niet dat ze als buitenstaanders spreken over God en tot God. Dat woordje 'buiten' komt tweemaal voor. "Het gebeurde dat zijn moeder en zijn broers buiten stonden.” … “Uw Moeder en uw broeders staan daarbuiten", buiten de Kerk, om aan te geven, dat zij niet die vertrouwelijkheid met Jezus hebben als de mensen van de Kerk, als de leerlingen, die op dat moment naar het Woord van God luisteren en "de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel." Diezelfde eenheid moet er zijn tussen God en de mensen als tussen de Vader en de Zoon, waardoor zij niet alleen samen zijn, samen spreken, samen doen, samen eten, maar ook samen bidden, samen dezelfde wil volbrengen en samen werken vanuit dezelfde inspiratie, vanuit dezelfde heilige Geest. Díe eenheid en liefde is wat Jezus bij zijn leerlingen wil zien.

Iedereen heeft wel eens gemerkt, dat er een verschil is tussen de manier waarop mensen met elkaar samenwerken. Soms doe je hetzelfde werk, maar is er niet een samenzijn, een samenhang, een samen willen; er is geen eenheid in de diepte. Uiterlijk doe je hetzelfde, innerlijk is het anders. Maar soms kun je ook samenwerken met iemand waarbij het vloeiend gaat, als vanzelf, van binnenuit; je hebt beide dezelfde wil, dezelfde geest, dezelfde inspiratie.
Zo wil God zijn werk volbrengen met ons samen. Hij wil met ons samenwerken, en dan niet alleen maar hetzelfde werk doen, de geboden volbrengen, nee, Hij wil ook dat wij dezelfde Geest hebben, dat wij vanuit dezelfde innerlijke bewogenheid en met dezelfde liefde het werk doen. Dat werk is voor iedereen hetzelfde, maar toch ook voor iedereen weer anders, door de  toegewijdheid van het hele leven aan God. Als wij zo met Hem meewerken, vanuit dezelfde Geest, zullen wij voor altijd in zijn huis mogen samenwonen. Het is een opdracht, maar eerst en vooral een gave. Die heilige Geest wordt in ons hart uitgestort en daarmee kunnen wij de wil doen van de Vader, en zo tot onze eigen heiligheid uitgroeien.