Vrijdag in de drieëndertigste week
           van het even jaar
                         
Eerste lezing: Apokalyps 10,8-11
Evangelie: Lucas 19,45-48



Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd ging Jezus de tempel binnen
en begon de verkopers eruit te jagen,
terwijl Hij tot hen zei:
“Er staat geschreven:
Mijn huis moet een huis van gebed zijn,
maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.”
Dagelijks gaf Hij in de tempel onderricht.
De hogepriesters, de schriftgeleerden en
de vooraanstaanden van het volk
zochten een gelegenheid om Hem ter dood te brengen,
maar zij zagen geen kans om wat dan ook te doen,
want al het volk hing aan zijn lippen.


Homilie    

“Ik nam het boekje uit de hand van de engel en ik at het op. En het smaakte in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het had doorgeslikt vulde bitterheid mijn lijf."
Hebt u daar wel eens van gehoord, dat woorden van God eerst zoet zijn als honing in de mond en daarna bitter in het lijf? In één en dezelfde persoon een tegengestelde reactie op woorden van God. Wat we wel kennen is dat het woord van God voor de één heel anders overkomt dan voor de ander. Zoet voor de één en bitter voor de ander. Bijvoorbeeld in het evangelie van vandaag zijn Jezus' woorden als een ergernis voor de leidinggevenden van het volk en zoet voor het volk zelf. Hard en bitter klonk het: "Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.” … “Ze zochten een gelegenheid om Hem ter dood te brengen, maar zij zagen geen kans om wat dan ook te doen, want al het volk hing aan zijn lippen." Bitter voor de één, zoet voor de ander. Woorden van God smaken zoet. Dat is een van de eigenschappen waaraan je kunt erkennen dat het een Woord van God is, zoals ook troost, innigheid, warmte en licht dat zijn. "Het woord van de Heer is feilloos, kostbaarder dit alles dan goud, een schat van het edelste goud en om te proeven zoeter dan honing, dan honing de raten ontvloeiend" (Ps 19,10a.11).
 
Maar omdat het Woord van God niet alleen de mond moet binnendringen, maar ook het hart, daarom moet dat boekje worden opgegeten. Het moet helemaal verwerkt worden, helemaal naar binnen gebracht, verinwendigd. Het moet komen op de plaats waar het de mens moeilijk valt om het Woord in zich op te nemen. Eerst smaakt het zoet, maar later valt het bitter uit, "want het Woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door in het raakpunt van ziel en geest, van gewrichten en merg. Het ontleed de bedoelingen en de gedachten van de mens" (He 4,12). Er is een klein moment in het leven van Theresia van Lisieux waarin die twee reacties tegelijkertijd werden geproefd en gesmaakt. Ze liep eens in de kloostergang en kwam een medezuster tegen, die iets onaardigs tegen haar zei. De zuster loopt meteen weer door, maar Theresia staat nog even stil en proefde het 'bitter-zoet' van de vernedering. In één ervaring: bitter en zoet. In vereniging met de Heer proefde ze zijn kruislijden, met wie zij dat vernederende van die opmerking van haar medezuster heeft gedragen. Dat maakte het bitter en zoet tegelijk.

Zo is het ook in deze lezing uit de Apokalyps, waar de bitterheid ontstond, doordat wat de engel aan Johannes te verstaan had gegeven, dodelijke gevaren inhield voor het volk van God. Het volk van God zal door God gered worden, dat is zoet, maar door de dood heen, dat is bitter. Zo is het te begrijpen dat de woorden van God, hem door de engel aangereikt, zoet smaakten in de mond en bitter in het lijf.
Jezus heeft zijn bitter lijden aanvaard uit de hand van God, als de wil van God, maar er kwam een engel om Hem troost en kracht te schenken. Het Woord van God was bij Hem dus ook bitter en zoet in één ervaring tegelijk, en dat is eigen aan alles wat er zich in het Hart van Jezus afspeelt. Bitter én zoet!