Zaterdag in de drieëndertigste week
           van het even jaar
                                 

Eerste lezing: Apokalyps 11,4-12
Evangelie Lucas 20,27-40


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd kwamen er enige van de Sadduceeën,
die de verrijzenis loochenen
bij Jezus met de vraag:
“Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan:
Als iemand een getrouwde broer heeft die kinderloos sterft,
dan moet zijn broer diens vrouw nemen
om aan zijn broer een nageslacht te geven.
Nu waren er eens zeven broers.
De eerste trouwde en stierf kinderloos.
De tweede en derde namen de vrouw
en op dezelfde manier stierven alle zeven
zonder kinderen na te laten.
Het laatst stierf ook de vrouw.
Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw?
Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.”
Jezus sprak tot hen:
“De kinderen van deze wereld
huwen en worden ten huwelijk gegeven,
maar zij die waardig gekeurd zijn
deel te krijgen aan de andere wereld
en aan de verrijzenis uit de doden,
huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.
Zij kunnen immers niet meer sterven,
omdat zij gelijk engelen zijn;
en, als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God.
Dat de doden verrijzen,
heeft ook Mozes aangeduid
waar het gaat over de braamstruik,
doordat hij de Heer noemt:
de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.
De Heer is toch geen God van doden maar van levenden,
want voor Hem zijn allen levend.”
Sommigen van de schriftgeleerden merkten op:
“Meester, dat hebt Gij goed gezegd.”
Zij waagden het dan ook niet meer Hem nog maar iets te vragen.

Homilie      

“Enigen van de Sadduceeën, die de verrijzenis loochenen."
Dat schijnt bij de Sadduceeën te horen, want waar ze in de Schrift ook voorkomen, er staat altijd bij dat ze de verrijzenis loochenen. Er staat dus niet wat zij wél geloven, maar wat ze niet geloven. Je zou kunnen zeggen dat hun geloof bestaat uit hun ongeloof. Met andere woorden: ze hebben geen geloof, ze hebben een ideologie, dat is een werelds geloof, een soort wereldbeschouwing, iets van de mensen, gebonden aan een cultuur, tijdsgewricht of stand. Sadduceeën waren aan hun maatschappelijke stand verplicht niet te geloven in de verrijzenis. Verrijzenisgeloof was iets voor het volk. Zoals het in de negentiende eeuw bij de stand van de natuurwetenschappers behoorde om niet in God te geloven, want zij benaderden de werkelijkheid langs de weg van wat je kunt meten, van wat je kunt bewijzen. God kun je niet zien en niet meten, dus bestaat Hij ook niet. Er bestaat alleen maar wat je kunt bewijzen. Dat was de ideologie van de geleerden van die tijd.

Het excuus voor het ongeloof bij de Sadduceeën kwam via een andere invalshoek. Het waren mensen die aanpapten met de Romeinse machthebbers, met de Romeinse bezetters. Ze hadden het met hen op een akkoordje gegooid, een akkoordje van geven en nemen, van voor wat, hoort wat. Zo hadden ze de voordelen van te behoren tot het Joodse volk én de voordelen van de Romeinse machthebbers, bij wie ze een wit voetje hadden. Geld en macht maakten bij hen het leven uit. Op die manier hadden ze al zoveel leven vóór de dood, dat ze voor het leven ná de dood geen interesse meer hadden. Dat hoefde voor hen niet zo. Precies zoals dat ook bij onze tijdgenoten het geval is. En nu zochten ze, om Jezus vast te zetten, in de Schrift een ingang voor hun ongeloof en dat vonden ze op een punt waar het verrijzenisgeloof van de Joden zelf iets van een ideologie was geworden, iets van deze wereld.

De Joden stelden zich het eeuwige leven voor als een rechtlijnige voortzetting van het aardse leven, niet anders dan het aardse leven, maar wel volkomen gelukkig. Genoot je hier rijkdom met misschien wat zorgen, dan was je in de toekomstige wereld volmaakt gelukkig, rijk maar zonder zorgen. Zo stelden ze zich allerlei andere dingen voor, zoals mensen van nu dat ook wel doen. In onze maatschappij hoor je ook wel eens dat allerlei liefhebberijen, fijne ontmoetingen, fijne levenssituaties, enzovoort worden geprojecteerd op de toekomstige wereld. Nu stellen ze een casus voor waarin dat rechtlijnig voortzetten van deze wereld in de toekomstige wereld wordt geconfronteerd met het verrijzenisgeloof. Ze vroegen zich af hoe je je dat moet voorstellen. "Als iemand een getrouwde broer heeft die kinderloos sterft, dan moet zijn broer diens vrouw nemen om aan zijn broer een nageslacht te geven. Nu waren er eens zeven broers. Enzovoort, enzovoort. Zo gaat het maar door. “Van wie van hen is die vrouw nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad."

Het antwoord van Jezus is: Jullie redeneren vanuit de mensen, vanuit déze wereld, maar de verrijzenis is iets van God, van de andere wereld. "De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. Ze kunnen immers niet meer sterven omdat zij gelijk engelen zijn." Maar wat is dán het eeuwige leven? Wat is dán de verrijzenis? Het eeuwige leven en de verrijzenis zijn onbeschrijfelijk. Het is alleen maar uit te drukken met niet-woorden. We zeggen dan ook: het eeuwige leven is onsterfelijk leven, het is het leven in het hiernamaals. En ook Sint Paulus probeert dat uit te drukken wanneer hem gevraagd wordt: "Hoe verrijzen de doden? Met wat voor lichaam?” “Dwaze mens. Ook wat gij zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt, en wat gij zaait is slechts een graankorrel of iets dergelijks en heeft nog niet de vorm die het zal krijgen.” … “Zo is het ook met de opstanding der doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid" (1 Kor 15, 35-42).

Is het dan gelijk aan het aardse? Nee, dat is het niet. Wat is het dan wel? Jezus zegt: "Zij kunnen immers niet meer sterven omdat zij gelijk engelen zijn. Maar wat houdt dat dan in? Het zijn engelen van God. “Als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God." Als je het toch in een beeld wilt uitdrukken, dan is het eeuwige leven de negatieve vorm, het negatief van de wereldse vorm van leven, van de aardse vorm van leven. Alles wat hier wit is, is daar zwart. En wat hier zwart is, is daar wit. Het is het tegenovergestelde leven. Is het hier dienen, dan is het daar heersen. Is het hier eenzaam, dan is het daar gemeenzaam. Is het hier gehoorzamen, dan is het daar mogen heersen. En wel vanuit God. Daarom spreekt Jezus ook zo op die eerbiedige wijze. "De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te hebben aan de andere wereld", dat is een geschenk van Godswege. En je krijgt het elke keer opnieuw als een geschenk. Het is nooit iets wat je hebt, het is ook nooit iets wat je zélf hebt, los van Degene die het geeft, want het is nu juist de zelfgave van God. God geeft Zichzelf als dé Levende aan de mensen, levenden of doden.

Dood waren Abraham, Isaäk en Jakob vóór Mozes, maar als God Zichzelf de God van Abraham, Isaäk en Jakob noemt, is God dus de God van de levenden, en zijn Abraham, Isaäk en Jakob levend voor God. Zo is het ná de dood, maar zo is het ook vóór de dood. Als je geen leven hebt bij de mensen, kun je toch leven voor God, kun je nog wel voor God levend zijn. Zoals dat ook in Oude Testament het geval was. Mozes was nu juist iemand die geen leven had. Hij was de woestijn in gevlucht en zijn volk had geen leven. Het was een slavenvolk, dat zuchtte en steunde onder de heerschappij van de Farao's, maar voor God leefden zij. Soms lijkt het erop dat je ook al in dit leven eerst een onleven moet hebben om te merken hoezeer je voor God leeft; hoezeer de levende God met zijn leven, met zijn liefde bij jou is. Dat is waarvan Jezus zegt: daar kun je van leven, nu al.