Heilige Mechtildis, maagd
Eerste lezing: 1 Makkabeeën 2,15-25.27-29
Evangelie: Lucas 19,41-44
Inleiding
God gebruikt hardheid om onze hardheid te doorbreken. 'Cibavit eos'. Hij heeft ons gevoed met de herinnering uit de geschiedenis van het volk van God. Toen de Joden grote ontberingen leden en in een uitzichtloze toestand verkeerden, was het God die ingreep. Hij voedde hen met brood uit de hemel, het manna. Ze hebben dat in herinnering gehouden en er steeds weer met genegenheid aan teruggedacht en het gevierd omdat dát de wijze was waarop God, tot op de dag van vandaag, met hen en met ons omging. Het verléden wordt opgeroepen om Gods handelen in het héden te vieren. Voor ons is het Brood van fijne tarwe, voor Jezus is het tranenbrood. Hij weende over Jeruzalem. Hij weent over de hardheid van Jeruzalem, over onze hardheid, wij, die wonen in Jeruzalem, in de Kerk. Hij weent steeds opnieuw, omdat wij "de tijd waarop barmhartig op ons werd neergezien, niet hebben erkend." Dat is wat wij nu willen goedmaken in de schuldbelijdenis: dat wij de tijd erkennen waarin barmhartig op ons werd neergezien.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd naderde Jezus Jeruzalem.
Hij liet zijn blik over de stad gaan
en weende over haar, terwijl Hij zei:
Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt!
Maar nu is dat voor uw ogen verborgen.
Er zullen dagen over u komen,
dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen,
u omsingelen en u van alle kanten insluiten;
zij zullen u, met uw kinderen die in u wonen, neersmakken
en zij zullen in u geen steen op de andere laten,
omdat gij de tijd niet hebt erkend
waarin barmhartig op u werd neergezien.
Homilie
Toen Jezus Jeruzalem naderde liet Hij zijn blik over de stad gaan. Dat hadden de leerlingen ook gedaan bij het afdalen van de Olijfberg (Lc 19,37), en wat zij zagen was een schouwspel om nooit te vergeten. In de naam Jeruzalem zit het woord 'sjaloom': 'stad van vrede'. De aanblik van de tempel moet voor de leerlingen zo imponerend geweest zijn, dat zij erdoor in verrukking raakten, en je kunt je voorstellen dat ze uitgeroepen moeten hebben: 'Meester, kijk eens, wat een stenen, wat een gebouw!' "Sommigen merkten op, hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken" (Lc 21,5). Dat zagen de leerlingen, en ieder die Jeruzalem vanaf de Olijfberg nadert, kan het zien. Ook Jezus zag dat. Hij had er oog voor. Maar juist dát maakt het zo bitter omdat Hij ook dat andere schouwspel zag: die keten, die aaneenschakeling van rampen, de één na de ander. "Er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen, u omsingelen en u van alle kanten in sluiten; zij zullen u, met uw kinderen die in u wonen, neersmakken, en ze zullen in u geen steen op de andere laten." Het houdt maar niet op, tot er een ruïne over blijft, geen steen meer op de andere. Pas dan staat die aaneenschakeling van rampen stil. Het gaat door tot het niet verder kán.
Jezus kijkt door die uiterlijke pracht en praal van deze vredesstad heen naar de ruïne van de toekomst. Maar vooral kijkt Hij door de vredige buitenkant van de stadsbewoners in hun gewone handel en wandel heen naar de onvredige, vredeloze binnenkant van hun verharde hart. Ze hebben versteende harten waartegenover Hij niets vermag. De tranen die daarbij bij Hem naar boven komen, zijn tranen van onmacht. Zoals de profeet Jeremia zegt over Sion: "Ik zou moeten wenen dag en nacht, zonder ophouden, want een vreselijke ramp heeft mijn dochter getroffen, door een zware straf ligt mijn volk geveld" (Jr 14,17). Een strafgericht zal komen over Jeruzalem, over die verharde stad. Jezus vermag het niet meer af te wenden. Hij kan alleen nog maar een wens uitspreken: "Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt!"