Zaterdag in de drie-endertigste week
          van het oneven jaar
    Opdracht van de heilige maagd Maria in de tempel
                                     (eigen lezingen)

Eerste lezing: Zacharias 2,14-17
Evangelie: Matteüs 12,46-50


Inleiding  

'Maria presentatie' heet dit feest, daar zit het woord 'present' in. Wanneer iemand wordt opgeroepen tot een hogere functie kan hij door de bisschop worden aangesproken met zijn naam en dan antwoordt hij 'present', 'hier ben ik', en dat niet alleen om aan te duiden waar de bisschop hem moet zoeken, maar vooral om zijn bereidheid te tonen.
Maria is toegewijd aan God, Maria is de dienstmaagd van de Heer, haar wezen is God dienen.
Wij mogen nu God dienen door het woord van God tot ons te laten spreken en zijn zelfgave aan ons te laten verrichten, wij mogen God dienen door ons door God te láten bedienen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd terwijl Jezus tot het volk sprak,
gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden
om te trachten met Hem te spreken.
Iemand kwam Hem nu zeggen:
“Uw moeder en broeders staan daarbuiten
en willen U spreken.”
Maar Hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen:
“Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?”
En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij:
“Ziedaar mijn moeder en mijn broeders,
want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij
die de wil volbrengen
van mijn Vader in de hemel.”

Homilie  

Maria zou als driejarig kind door haar ouders naar de tempel zijn gebracht om haar daar aan God te laten opdragen, haar aan God te laten toewijden. Weg van haar ouders, weg uit het warme nest, de ouderlijke geborgenheid, een leven tussen vreemde vrouwen die niet haar moeder of haar zussen zijn. Weg uit het kleine stadje Nazareth naar die grote stad Jeruzalem. Weg uit het kleine huisje naar die grote tempel. Hoe kunnen ze daar nu een feest van maken?
Maar er zijn veel grote heiligen die als heel klein kind al door hun ouders naar een klooster werden gebracht om ze daar te laten opvoeden. Dat was in vroeger tijd een gewoonte in adellijke kringen. Mannen als Maurus en Placidus waren echt nog kinderen toen ze door hun ouders aan vader Benedictus werden toevertrouwd.
Men moet bij zo'n klooster, kloosterschool, dus denken aan een pensionaat.

Zoiets moeten wij ons ook voorstellen bij het feest dat vandaag wordt gevierd: het feest van Maria presentatie, haar opdracht in de tempel. Dat feest bestaat al vele eeuwen, het kreeg zijn vorm doordat er op de plaats waar deze opdracht gebeurd zou zijn, een kerk werd gebouwd te harer ere. Van oudsher werd het feest van de inwijding van die kerk gevierd op 21 november. Maar bij opgravingen ontdekte men dat er vroeger op die plaats een soort kloosterschool gestaan moest hebben en dan zou Maria niet naar de tempel zijn gebracht, maar naar een nabij gelegen klooster- of tempelschool. En dan is het niet zo vreemd.

Maar een gevoel van vervreemding blijft het ons toch wel geven. Zoals de familieleden van Jezus, zijn moeder en zijn broeders, niet konden begrijpen dat Jezus wél tot de menigte sprak, maar dat zij Hem, nota bene haar eigen kind, hun broeder, niet te spreken konden krijgen. Terwijl Hij tot het volk sprak, bleven zij buiten staan en trachtten Hem te spreken te krijgen, maar ze kregen Hem niet te spreken.
We kunnen ons dat verblijf van Maria in de tempel eigenlijk maar op één manier voorstellen. Dat zij zich meer bij God thuis voelt, meer in de tempel haar eigenlijke taak beleeft, dan bij haar eigen ouders, meer thuis is in de kloosterschool, de tempelschool, dan in haar eigen menselijke thuis, dat voor haar het woord van Jezus: moeder en broeder van Jezus door de wil te volbrengen van zijn Vader die in de hemel is, toen al echt waar was.

Wanneer iemand intreedt in het broeder- en zusterschap van Jezus, worden de bestaande verhoudingen omgekeerd. Ja, heel het gevoelsleven wordt ingrijpend veranderd. Als een magneet trekt God al onze menselijke verhoudingen uit hun verband naar zíjn verband, naar zijn verbond. Een verandering zo hoog als de hemel zich verheft boven de aarde, zover kan Gods wil staan boven de eigen wil. Vreemd, vervreemdend van jezelf. Want bij onze eigen wil voelen wij ons thuis, zoals een kind bij zijn vader en moeder. En we voelen ons vervreemd van onszelf als wij onze eigen wil niet mogen doen.

Zo was het ook voor Jezus: Vaders wil, niet wat Hijzelf wilde. 'Ik wil iets anders. Ik wil die kelk niet drinken.' Maar nog dieper, in het allerdiepst van zijn eigen hart: "Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt" (Mt 26,39). Jezus wil niet de kelk, maar Hij wil de wil van zijn Vader, en dat ook als zijn eigen wil. Zoals de kleine Theresia zei: 'ik doe altijd mijn eigen wil, want ik wil alleen maar wat God wil.' God die zo ver weg is, komt zo dichtbij, ook met zijn wil; Hij woont in het menselijk hart, dat is eigenlijk wat in de eerste lezing werd bezongen of geprofeteerd: "Juich en verheug u, dochter Sion, want zie Ik kom en zal bij u wonen." Mijn wil zal ook uw wil worden.