Eerste lezing: 2 Makkabeeën 6,18-31
Evangelie: Lucas 19,1-10
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd ging Jezus Jericho binnen.
Terwijl Hij er doorheen trok
poogde een zekere Zacheüs,
hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man,
te zien wie Jezus was.
Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte,
want hij was klein van gestalte.
Om Hem toch te zien liep hij hard vooruit
en klom in een wilde vijgenboom
omdat Jezus daar langs zou komen.
Toen Jezus bij de plaats kwam
keek Hij omhoog en zei tot hem:
Zacheüs, klim vlug naar beneden,
want vandaag moet Ik in Uw huis te gast zijn.
Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap.
Allen zagen dat en merkten morrend op:
Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!
Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak:
Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen;
en als ik iemand iets afgeperst heb
geef ik het hem vierdubbel terug.
Jezus sprak tot hem:
Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen,
want ook deze man is een zoon van Abraham.
De mensenzoon is immers gekomen om te zoeken
en te redden wat verloren was.
Homilie
Zacheüs in zijn boom. Een geliefd evangelie bij de voorbereiding op de eerste communie. Leuk om uit te beelden: een mannetje tussen de takken en Jezus omhoog kijkend. Het spreekt tot de verbeelding. Maar we dreigen dan de eigenlijke verhoudingen uit het oog te verliezen. Dat is het gevaar van alle verkondiging. Dat is het gevaar van de menswording. Zacheüs in de boom roept die andere mens op, die allereerste: Adam met zijn vrouw Eva: "Toen zij, bij het opkomen van de middagwind, de donder van God de Heer in de tuin hoorden klinken, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor God de Heer tussen de bomen van de tuin" (Gn 3,7-8).
Zacheüs in zijn boom. Hij is een rijke man, de rijkste man van de stad, die zich verrijkt had ten koste van de medeburgers, de geloofsgenoten, door afpersing, zoals hij zelf toegeeft. Maar we weten uit de heilige Schrift hoe een rijke er voor God eigenlijk uitziet. Zoals de stad Laodicea: "Gij zegt, ik ben rijk
en beseft niet dat gij meer dan allen ellendig zijt en erbarmelijk, een blinde en naakte bedelaar (Apk 3,17). Hij, Zacheüs, is in Jezus' ogen berooid, zoals Adam en Eva na hun zondeval: Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren" (Gn 3,7). Ze dachten de wereld te winnen: de kennis van goed en kwaad, aan God gelijk te worden, wereldwijs, mensen met ervaring, maar zij waren berooid. Zij stonden in hun hemd. Een toonbeeld van schaamte.
God had medelijden, toen en nu: door Jezus. "Vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn." Dat moeten van Jezus
Hij moet dat nu juist helemaal niet. Het is het moeten van God. We weten wat het Hem gekost heeft. Hij delft er zijn eigen graf mee. Jezus gaat het huis van Zacheüs binnen als zijn graf. Hij overziet de consequenties, Hij weet wat dit Hem gaat kosten. Deemoedig, lankmoedig treedt Hij binnen. Wie is er kleiner? De kleine Zacheüs in zijn verlangen om aardse grootheid af te leggen? Of Jezus, voor Wie hij Zich gaat verkleinen?