Zaterdag in de drieëndertigste week
        van het oneven jaar

Eerste lezing: 1 Makkabeeën 6,1-13  
Evangelie: Lucas 20,27-40  


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas


In die tijd kwamen er enigen van de Sadduceeën,
die de verrijzenis loochenden,
bij Jezus met de vraag:
“Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan:
Als iemand een getrouwde broer heeft die kinderloos sterft,
dan moet zijn broer diens vrouw nemen
om aan zijn broer een nageslacht te geven.
Nu, waren er eens zeven broers.
De eerste trouwde en stierf kinderloos.
De tweede en derde namen de vrouw
en op dezelfde manier stierven alle zeven
zonder kinderen na te laten.
Het laatste stierf ook de vrouw.
Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw?
Alle zeven hebben haar toch tot vrouw gehad”
Jezus sprak tot hen:
“De kinderen van deze wereld
huwen en worden ten huwelijk gegeven,
maar zij die waardig gekeurd zijn
deel te krijgen aan de andere wereld
en aan de verrijzenis uit de doden,
huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.
Ze kunnen immers niet meer sterven
omdat zij gelijk engelen zijn;
en, als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God.
Dat de doden verrijzen
heeft ook Mozes aangeduid
waar het gaat over de braamstruik,
doordat hij de Heer noemt:
de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob.
De Heer is toch geen heer van doden maar van levenden,
want voor Hem zijn allen levend.”
Sommigen van de Schriftgeleerden merkten op:
“Meester, dat hebt Gij goed gezegd.”
Zij waagden het dan ook niet meer Hem nog maar iets te vragen.

Homilie  

“Enigen van de Sadduceeën, die niet in de verrijzenis geloven."
Dat schijnt onlosmakelijk met  Sadduceeën verbonden te zijn. Waar zij in de Schrift ook voorkomen, in de evangelies, in de handelingen van de apostelen, steeds wordt er van de Sadduceeën gezegd, dat zij de verrijzenis loochenen. Hun geloof bestaat erin dat ze niet geloven. Er wordt niet gezegd waarin ze wél geloven. Ze hebben een 'niet-geloof'; ze geloven gewoonweg nergens in, behalve in zichzelf. Dat blijkt ook wel uit de wijze waarop zij hun vraag inkleden. Ze stellen geen echte vraag, zoals: 'Hoe moeten we ons die verrijzenis uit de doden nu eigenlijk voorstellen?' Maar ze komen aan met een casus waarvoor maar één oplossing kan zijn: Dat kan toch niet! Dat is belachelijk! Het zou al voldoende geweest zijn, om aan Jezus de vraag voor te leggen van: 'Er is een vrouw die achter elkaar twee mannen heeft gehad. Hoe moeten we ons de verrijzenis uit de doden nu voorstellen?' Nee, ze komen meteen met zeven mannen op de proppen, zeven broers moeten er aan te pas komen. Zeven is het getal van de volmaaktheid, en met dat getal willen ze aantonen hoe volmaakt belachelijk dat verrijzenisgeloof is.

Direct daar mee in verband staat, dat de Sadduceeën de mensen die wél in de verrijzenis geloven, ook belachelijk maken. Dát is kenmerkend voor hun levenshouding. Ze kijken neer op anderen. Ze kijken neer op het eenvoudige volk met zijn verrijzenisgeloof. Dat is hun te volks, te populair. Ze hebben dat geloof ook niet nodig. Ze waren rijk en machtig. Geld en macht, dáár geloofden ze in, dat maakte bij hen het leven uit. Ze hadden zoveel vóór de dood, dat ze een leven na de dood gewoon niet nodig hadden. Ze papten aan met de Romeinse machthebbers, heidenen, met wie ze het op een akkoordje gooiden, ook al moesten ze daarvoor de heilige tradities van het geloof, van hun volk, met voeten treden. Ze hadden geen respect voor anderen en waren nogal cynisch aangelegd. Maar eigenlijk hadden ze ook geen respect voor zichzelf. Ze opereren altijd in groepsverband. Je ziet de een nooit zonder de ander. In het evangelie krijgen we nooit een bepaalde Sadduceeër met een naam voor ogen. Nee, ze zijn altijd in het meervoud. "Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan." Niet: ik zie bij Mozes, of: ik lees bij Mozes dit of dat. Het is  nooit één persoon die uit de groep naar voren treedt en die persoonlijk zijn ongeloof uitspreekt. Nee, ze verschuilen zich achter de groep. Ze leven niet persoonlijk en ze tonen ook geen respect voor de persoonlijke overtuiging van een ander. Dat betekent, dat ze het ook niet wagen zich te confronteren met die situatie in het aardse leven waarbij ze er alleen voor komen te staan, wanneer ze niet meer kunnen steunen op de groep, op hun stand, op hun standsrechten.

Daarom, als ze zo denken en leven, en zich zo onpersoonlijk opstellen in het leven, in de samenleving, dan kunnen ze ook nooit tot een persoonlijk geloof in de verrijzenis komen en tot het geloof in een persoonlijke God. Daar hoort een andere levenswijze bij, een andere wijze van staan in het leven. Om te kunnen geloven in een persoonlijke God moet je zelf persoonlijk leven. Of beter gezegd: de openbaring van een persoonlijke God leidt tot een persoonlijke wijze van leven. De wijze waarop God Zich manifesteert, Zich openbaart, was voor Jezus ook het bewijs van de verrijzenis. Hij openbaart Zich niet als een God van een bepaalde plaats, groep of stand, of als een machtige God van een bepaalde cultus, eredienst, of van machtige tempelgebouwen en paleizen. Nee, Hij openbaart Zich aan Mozes als "de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob."

Wat waren dat nu voor mensen? Dat waren mensen die zich ophielden aan de rand, aan de marge, van de machtscentra van de machtige volken. Ze waren marginalen, ze waren zwervers. Zo moest volgens Mozes de gelovige Israëliet zijn geloof belijden: 'Mijn vader was een rondzwervende Arameeër.' Ze waren Hebreeën, en Hebreeën betekent letterlijk: zwervers. Ze waren gastarbeiders in Egypte. God is dus een God van mensen die alleen maar mens waren, die geen macht hadden, die helemaal niets voorstelden voor de mensen van deze wereld. Zoals Petrus, een armzalige visser, gestorven als een slaaf aan een kruis en neergelegd in een armzalig graf. Maar hij werd door God gekend, door God aangesproken. God heeft zijn gebed verhoord, Hij heeft hem met zijn bescherming bijgestaan. Hij heeft hem in zijn nood getroost en kracht gegeven en het uitzicht gegeven dat die troost en die kracht, die hemelse bescherming, nooit zal ophouden, maar een eeuwig leven zou hebben.
Dat persoonlijke, dat kwetsbare, dat er alleen voor staan, maar ook dat door God persoonlijk erkend en aanvaard zijn, dát is ons geloof. Mogen we dan ook zo met elkaar omgaan.