Drie-endertigste zondag door het jaar,
                      jaar B

Eerste lezing: Daniël 12,1-3  
tweede lezing: Hebreeën 10,11-14.18
Evangelie: Marcus 13,24-32


Inleiding  

Op de voorlaatste zondag van het kerkelijk jaar worden wij door de Kerk naar het einde van de wereld geleid. Ons geloof is een eindtijdelijk geloof. Je haalt er het einde der tijden mee. Je komt ermee de tijd door. En daar hoort héél de aarde bij. Het is niet alleen iets voor een gedeelte van het leven, een gedeelte van de wereld. Nee, héél de schepping en héél de geschiedenis van de mens zijn in het heil opgenomen, want ook héél de schepping en héél de geschiedenis van de mens zijn betrokken in het onheil.
Maar God gaat ons daaruit verlossen, dóór de ondergang heen, zoals we vandaag zullen horen. Er dóórheen! God haalt er ons doorheen. "Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid", dat wil zeggen: met Gods aanwezigheid. Die is als een wolk over heel ons leven, vanaf het begin overhuift die ons leven. Dat is wat we nu, aan het begin van deze eucharistie, willen vieren: hoe God vanaf het begin met ons is.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Maar na die verschrikkingen zal in die dagen
de zon verduisteren
en de maan zal geen licht meer geven;
de sterren zullen van de hemel vallen
en de hemelse heerscharen in verwarring geraken;
dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken
met grote macht en heerlijkheid.
Dan zal Hij zijn engelen uitzenden
om zijn uitverkorenen te verzamelen uit de vier windstreken,
van het einde der aarde tot het einde des hemels.
Trekt uit de vergelijking met de vijgenboom deze les:
Wanneer zijn twijgen al zacht worden
en beginnen uit te botten,
weet ge dat de zomer in aantocht is.
Zo ook, wanneer ge al deze dingen ziet,
weet dan dat het einde nabij is, ja voor de deur staat.
Voorwaar, Ik zeg u,
dit geslacht zal niet voorbijgaan totdat dit alles gebeurd is.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan,
maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
Van die dag of dat uur weet niemand af,
zelfs niet de engelen in de hemel, zelfs niet de Zoon,
maar alleen de Vader.”

Homilie    
"Dit geslacht zal niet voorbijgaan totdat dit alles is gebeurd." Dit geslacht? Het geslacht van Jezus is voorbij gegaan en toch is het niet gebeurd. Is Jezus dan als één van die onheilsprofeten uit vroeger dagen, en van onze dagen, die het einde van de wereld voorspellen en dan meemaken dat er van hun voorspellingen niets uitkomt? Is Jezus ook zo'n onheilsprofeet? Nee! "Dit geslacht zal niet voorbij gaan totdat dit alles gebeurd is." Jezus zelf is het einde en in zijn Persoon is het einde der tijden nabij, tegenwoordig. En als Gods laatste woord, Gods plan van heil nabij is, zullen de krachten van de duisternis samenspannen om Hem ten onder te brengen. Ze zullen daarop reageren op de voorspelbare wijze en dan zal precies geschieden wat zij hadden gehoopt te verhinderen, namelijk: dat het Rijk Gods nabij wordt gebracht, binnen de geschiedenis wordt gebracht. Niet als het rijk van een koning die voortschrijdt van overwinning na overwinning en die zijn vijanden nederlaag na nederlaag bezorgt, maar, o wonder, door Zich door die vijand te laten overwinnen, en daarin zijn Hart te stemmen tot vrede, een vrede niet ná de strijd, maar een vrede ín de strijd, een vrede in de nederlaag. Voor ons is dat de vrede van de zelfoverwinning.

Dat is de vrede waarover we in het intredelied gezongen hebben. 'Cogitationes pacis,' de vrede die ons heil op het oog heeft, gedachten van vrede. Niet de vrede na de overwinning van de vijand. Díe vrede is Jezus níet komen brengen. Maar het is de vrede waarmee Jezus op de eerste plaats, en de christenen in navolging van Hem, die vijand kunnen weerstaan. Dát is de vrede die Hij koestert. Dát zijn de plannen van heil, de plannen van vrede die Hij heeft en die Hij ook doorzet. Daarmee komt de geschiedenis ten einde.

Jezus, die in zijn Persoon het einde van de wereld tegenwoordig stelt, wordt ten einde gebracht en dát maakt het geslacht van Jezus mee. Daardoor ontstaat er een nieuwe mogelijkheid binnen de menselijke geschiedenis, binnen deze wereld, om vanuit Iemand die niet van deze wereld is en die op een niet wereldse, maar op een goddelijke wijze de wereld heeft overwonnen door het geloof, het einde van de geschiedenis tegenwoordig te stellen. Maar hoe doe je dat? Door, wanneer je ergens het einde van beleeft, wanneer je verwachtingen niet uitkomen, wanneer je iets hebt opgebouwd maar je ziet het in duigen vallen, wanneer je je in een huis of in relaties een veilig onderkomen hebt verschaft en er komt een einde aan, wanneer iets dierbaars je wordt afgenomen, of dat nu je gezondheid is of je omgeving of je werk, daarin niet je vertrouwen te investeren; maar als je daarentegen je vertrouwen stelt op God die plannen van heil heeft, dwars door alle wereldgebeurtenissen en wereldeinden heen, dán heb je binnen het kader van de wereldgeschiedenis de wereld overwonnen. Dan heb je binnen de geschiedenis het einde van de wereld tegenwoordig gesteld. Door je niet met de wereld te identificeren maar je te identificeren met Hem, die net als alle mensen de wereldeinden heeft doorschreden, maak je het mogelijk om binnen die wereldgeschiedenis de geschiedenis ten einde te brengen, te overleven.

Mensen maken wereldondergangen in het klein mee als een voorbode van het einde van de wereldgeschiedenis, dat zich eenmaal werkelijk zal afspelen. Die wereldondergang speelt zich dan nu al onder ons af. Dat gebeurt dikwijls in kleine dingen. Dan is het goed om vandaag van de Kerk te horen: "Hemel en aarde zullen voorbijgaan - en hemel en aarde mogen best voorbij gaan - maar mijn woorden - je zou beter kunnen zeggen: mijn woord van vrede, mijn plannen van heil, zoals in het Oude Verbond door de profeet Jeremia werd voorzegd - zullen niet voorbij gaan." Dat is het hoopvolle perspectief wat de Kerk aan deze zondag en aan heel onze levensgeschiedenis geeft en wat wij in de geloofsbelijdenis mogen beamen.