Dinsdag in de vierendertigste week
           van het even jaar
Heilige Catharina van Alexandrië, maagd en martelares


Eerste lezing: Apokalyps 14,14-19 [III 399];
Evangelie Lucas 21,5-11   [III 400]                              


Inleiding  

'Gij zijt geborgen in Gods lommer', in zijn schaduw. Bij het zingen van dit lied, en dan bijzonder bij deze zin, kun je een gevoel van geborgenheid krijgen, een religieus gevoel van geborgenheid. Dat is de geborgenheid die God ons schenkt. Het is zoiets als de geborgenheid die mensen zoeken en vinden in de zorg van bijvoorbeeld de bouw van een huis, in het stichten van een gezin, in het oprichten van een zaak, in het officie. Overal kunnen mensen geborgenheid in zoeken en vinden. Dus ook in religieuze gevoelens van geborgenheid, in smaak voor het gebed. Maar die geborgenheid die God ons schenkt, is een heel andere geborgenheid. Dat is een geborgenheid die je krijgt wanneer je nergens anders meer geborgenheid kunt vinden. Daarom moet je die religieuze gevoelens van geborgenheid ook loslaten. 'Vergeet nu in mijn Naam uw zorg.' Wees zorgeloos, dan zul je Gods zorg ervaren.
Dat wij buiten Hem om, op zoveel andere manieren onze religieuze gevoelens gezocht hebben, dat is wat wij nu aan het begin van deze eucharistieviering, waarin God alleen ons huis en ons thuis wil zijn, ons bewust maken.
                           
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd, toen sommigen opmerkten
hoe de tempel daar prijkte
met haar fraaie stenen en wijgeschenken,
zei Jezus:
“Wat ge daar ziet:
er zal een tijd komen
dat er geen steen op de andere gelaten zal worden:
alles zal verwoest worden.”
De leerlingen vroegen Hem nu:
“Meester, wanneer zal dat dan plaats vinden?
En wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?”
Maar Hij zei:
“Weest op uw hoede dat gij niet in dwaling gebracht wordt.
Want velen zullen optreden in mijn Naam
en ze zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij.
Loopt niet achter hen aan.
En wanneer ge hoort van oorlogen en onlusten,
laat u dan niet uit het veld slaan.
Dat alles moet wel eerst gebeuren,
maar het einde volgt niet terstond.”
Toen sprak Hij tot hen:
“Er zal strijd zijn van volk tegen volk
en van koninkrijk tegen koninkrijk;
er zullen hevige aardbevingen zijn,
en hongersnood en pest,
nu hier dan daar, schrikwekkende dingen
en aan de hemel geweldige tekenen.”
                         
Homilie  

In Jeruzalem aangekomen, is Jezus aan het einde van zijn reis gekomen. Het was een reis van ongeborgenheid, van zijn intrek ergens nemen en weer opbreken, op weg naar de totale ongeborgenheid: het opbreken van zijn aardse tent, om zijn intrek te nemen in het hemels Jeruzalem, bij zijn Vader in de hemel. Toch heeft Hij die reis vastberaden aanvaard, ondanks dat Hij wist wat Hem te wachten stond. In het negende hoofdstuk van het evangelie van Lucas wordt dat beschreven, aan het begin van zijn openbaar leven en aan het begin van zijn reis: "Toen de dagen van zijn verheffing (in de hemel) hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Hij vastberaden de reis naar Jeruzalem en zond boden voor zich uit” (Lc 9,51). En zoals die reis begon, zo zal ze ook eindigen. Ze begon met niet aanvaard worden, verworpen worden: “De Samaritanen ontvingen Hem niet, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was" (Lc 9,53).

De leerlingen hadden grote moeite met het niet aanvaard worden van hun Meester. En nu, met Jezus aangekomen in Jeruzalem, zijn ze gefixeerd op de schoonheid van de tempel. Ze kunnen hun ogen er gewoon niet van afhouden. "Sommigen merkten op, hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken." Jezus merkte hoe ze daar behagen in vonden, een rustpunt voor hun dwalende, verstrooiende aandacht. Hoe zij daar een zekere geborgenheid in vonden. Daarom zegt Hij: "Wat ge daar ziet: er zal een tijd komen dat er geen steen op de andere gelaten zal worden: alles zal verwoest worden." Wat is dat nu voor een opmerking? Is dat niet om alle vreugde in de goedheid en de schoonheid van het leven te vergallen? Inderdaad, de leerlingen mochten dan hun hoop hebben gesteld op betere tijden, op betere plaatsen, dat het niet altijd zo'n ongeborgenheid zal zijn, Jezus slaat de hoop op zoiets voor goed de bodem in en Hij stelt in het perspectief van het einde van de tijden heel de geschiedenis voor als een aaneenschakeling van rampen en onzaligheden. "Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en dan ook nog eens aan de hemel geweldige tekenen." De geschiedenis voorgesteld als één lange wereldondergang.

Maar dat zal toch wel niet altijd zo zijn, en niet overal, op alle plaatsen? Nee, er zullen ook wel tijden zijn van rust en vrede, van korter of langer duur, maar de grondlijn van de geschiedenis wordt voorgesteld als één eindeloze aaneenschakeling van dood, bederf en ondergang. Het gaat er niet om dat we niet zouden mogen genieten van rust en vrede, dat we ons ook niet ergens zouden mogen installeren, geen eigen thuis zouden mogen stichten, als het maar niet iets is om daar een doel in te vinden, als het maar niet de geborgenheid bij de Vader in de hemel in de weg staat.

Sint Paulus die zelf vele kerken heeft gesticht, vele plaatsen van geborgenheid voor gelovigen, zegt het als volgt: "Ik bedoel dit, broeders: de tijd is kort geworden. Laten daarom zij die een vrouw hebben, zijn als hadden zij ze niet; zij die wenen, als weenden zij niet; zij die zich verheugen, als waren zij niet verheugd; zij die kopen als werden zij geen eigenaar. Kortom, zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan; want de wereld die wij zien gaat voorbij" (1 Kor 7,29-31). Mag je dan niet meer blij zijn? Is levensvreugde een taboe? Nee, maar als je blij bent, moet je er niet in opgaan. Geen uitgelaten vreugde. En mogen wij dan ook niet meer wenen? Jawel, je mag best wenen als je verdriet hebt, maar je moet niet opgaan in je verdriet, want er zijn eindeloos meer redenen om verheugd te zijn dan om bedroefd te zijn. En hoe is dat nu met het kopen? Natuurlijk mag je wel kopen, maar als je iets gekocht hebt, beschouw het dan als iets dat je is toevertrouwd, dat je mag beheren, en niet als iets waar je eigenaar, bezitter, van bent. Ga er niet op zitten, wees er niet aan gehecht. Je moet het ook kunnen loslaten. Het laatste hemd heeft geen zakken, wordt er wel eens gezegd. Je kunt het niet meenemen.
Tot zo'n soort vrije, innerlijk onthechte levenshouding kom je niet, tenzij dat je af en toe zoiets als een wereldondergang meemaakt. Het wordt je dan ook voorgehouden door iemand die in de dienst van de Heer voortdurend kleine wereldondergangen heeft meegemaakt in zijn leven van apostolaat. Dan was het een natuurramp, dan waren het stokslagen, dan vervolging door de eigen medegelovigen.

De Apokalyps is daar ook een mooi voorbeeld van. Johannes was een visionair, hij leefde in ballingschap op Patmos. Overal om zich heen zag hij kerken die vervolgd werden en hij schrijft een troostboek. De Apokalyps is een troostboek, dat heel het perspectief van de mensen wegrukt van hier, waar het één en al wereldondergang is, naar daar. De mens wordt in een thuis geboren, hij zal het dan ook niet kunnen laten om steeds in alles een thuis te zoeken, een geborgenheid: bij je man of vrouw, de kinderen, het werk, de omgeving. Van een man werd ooit gezegd, dat zijn huis de biotoop is voor een gelukkig leven. En maar genieten, en maar mooi maken, en daar zijn geluk maar in vinden. Toen hij echter voor de dood stond, de ondergang van zijn wereld, zei hij: 'Ik heb me in mijn leven met onbelangrijke dingen beziggehouden.' Voor wie voor God staat, wordt alles betrekkelijk. Mensen worden opgeroepen om voor God te staan, om zijn aanwezigheid altijd voor ogen te houden. Zoals Benedictus, uw geestelijke vader, u (de zusters van priorij Nazareth) en ook ons voorhoudt: 'De eerste trap van nederigheid bestaat hierin, dat men door de vreze Gods altijd voor ogen te houden, - God bovenal te respecteren - ten zeerste op zijn hoede is voor de vergetelheid en steeds in gedachten houdt wat God bevolen heeft. Men overweegt voortdurend in zijn hart, hoe het hellevuur omwille van een zonde hen doet branden die God verachten en hoe anderzijds het eeuwig leven is weggelegd voor hen die God vrezen.'

In die regel komt het einde van de wereld naar ons toe. Wij worden uitgenodigd om mensen van het einde te zijn. Het einde van de wereld komt ook hier voor ons, maar dan in de gedaante van Jezus die op het einde van de wereld terugkomt, zo goed, zo barmhartig, dat wij er minder moeite mee hebben om onze geborgenheid in dingen en mensen op te geven en het alleen bij Hem te zoeken.