Donderdag in de vierendertigste week
             van het even jaar
Eerste lezing: Apokalyps 18,1-2.21-23.19,1-3.9a [III 403];
Evangelie: Lucas 21,20-28 [II/III 404]


Inleiding  

'Cibavit!' 'Hij heeft ons gevoed!' God heeft zijn volk gevoed en het verzadigd. Waarmee? Het evangelie zegt met Jezus: "het brood des levens” (Joh 6,35). “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald" (Joh 6,51). Maar om aan dít brood iets te vinden, om er trek in te hebben, daarvoor moet je door de Vader, die Jezus zond, getrokken worden. Uit jezelf zegt Jezus je niets; uit zichzelf is er aan dit brood geen smaak of kraak. Zoals het manna dat de Joden in de woestijn hebben gegeten, "dat minderwaardige voedsel”, waar ook geen kraak of smaak aan was. “Dat voedsel staat ons tegen", zeiden de Joden (Num 22,25). Onder de omhulling van iets heel gerings, zoals eten, is een gestalte verborgen, zo onaanzienlijk als een schaap of een lam dat ter slachtbank wordt geleid.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wanneer gij Jeruzalem door legers omsingeld ziet
weet dan dat zijn verwoesting nabij is.
Laten dan de mensen in Judea naar de bergen vluchten;
die in de stad zijn eruit trekken
en die op het land vertoeven de stad niet binnengaan;
dagen van wraak zijn het,
waarop alles wat geschreven staat vervuld wordt.
Wee de zwangeren en zogenden in die dagen.
Want er zal grote nood komen over het land
en strafgericht over dit volk.
Sommigen zullen vallen door het verslindende zwaard,
anderen als gevangenen onder alle volkeren worden verstrooid.
Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden
totdat de tijd van de heidenen vervuld is.
Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren
en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren,
radeloos door het gebulder van de onstuimige zee.
De mensen zullen het besterven van schrik,
in spanning om wat de wereld gaat overkomen,
want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken.
Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk,
met macht en grote heerlijkheid.
Wanneer zich dit alles begint te voltrekken,
richt u dan op en heft uw hoofden omhoog,
want uw verlossing komt nabij.”

Homilie  

Babylon, 'de grote stad Babel' is een historisch feit en tevens een mysterie. In de bijbel is Babel de stad van het kwaad zonder meer: symbool van macht, rijkdom, hoogmoed. Versteende zonde. Verhardheid in het kwaad. Gestolde genadeloosheid. De profeten hebben deze machtige stad en haar afgoden de ondergang voorspeld: de legers van Xerxes hebben in het jaar 485 vóór Christus Babel verwoest. Heden is het een vlakte met niets dan ruïnes. Maar ook na zijn ondergang blijft Babel in de Joodse en christelijke overlevering het symbool en het inbegrip van alle godvijandige machten. Babylon is overal daar waar de machtigen van deze aarde strijd voeren tegen het volk van God (=Jeruzalem). In de tijd van de openbaring van Johannes heet deze macht Rome.

Het Rome van de keizers is "de grote hoer”. In het zeventiende hoofdstuk wordt haar van bederf zwangere heerlijkheid getoond: “En hij voerde mij in de geest naar de woestijn. En ik zag een vrouw, gezeten op een scharlaken rood beest dat overdekt was met godslasterlijke namen en het had zeven koppen en tien horens" (Apk 17,3).

Jezus zegt niet: 'zoek dekking in het aangezicht van de komende nood, zoek dekking wanneer u dit alles op u af ziet komen, blijf zitten waar je zit, ga plat op de grond liggen, hanteer amuletten, ga de kelder in, bouw je een atoomschuilkelder of iets in die geest, maar Hij zegt: wanneer het heel zwaar voor u wordt: "heft dan uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij." Terwijl de mensen het besterven van schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen, kan de gelovige zich oprichten. Waarom? Waar haalt de gelovige het vandaan om midden in het onweer met opgeheven hoofd zijn weg te gaan? Omdat hij weet van een Ander, die midden in het onweer op hem toekomt. Omdat het onweer nooit alleen komt, omdat er een stem is die midden in de storm tot ons roept, zoals eertijds op het meer van Galilea: "Weest maar niet bang, Ik ben het", 'Ik ben er ook nog, wees maar gerust'. Een hand die ons in de duisternis vasthoudt. Maar dan moeten wij wel ons eigen ik, ons verlangen onszelf te redden, loslaten.