Vrijdag in de vierendertigste week
          van het even jaar
Eerste lezing: Apokalyps 20,1-4.11-21,2 [III 405];
Evangelie Lucas 21,29-33 [III 406]                          


Inleiding  

Is onze geest aan vernieuwing toe? Deugt onze eigen geest niet? Er moet een andere geest in ons komen, een geest van heiligheid in plaats van de geest van zondigheid, de geest van zelfzucht, van niet doen wat God wil. Maar die geest is toch al verruild, we hebben de Geest toch al ontvangen, moeten wij dan weer opnieuw de Geest krijgen? Ja, want de nieuwe Geest is een Geest die elke keer weer opnieuw gegeven wordt aan ons. Het is zoiets als met de schepping van de aarde en van de mens. God schept en dat doet Hij niet één keer, maar Hij gaat maar door met zijn scheppingswil te activeren, actief te maken. Zou God een ogenblik zijn scheppingswil intrekken, de schepping niet willen, dan zou de schepping instorten, ophouden te bestaan, in het niet terugvallen. Zo is het ook met zijn geestesgave, die vernieuwt zich keer op keer. En ook wij vernieuwen onze geest van berouw, iedere keer als wij onze zonden belijden om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                           
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd maakte Jezus een vergelijking
en zei tot zijn leerlingen:
“Kijk naar de vijgenboom en naar alle andere bomen:
zodra ze uitlopen weet ge vanzelf als ge dat ziet,
dat de zomer in aantocht is.
Zo ook, wanneer ge al deze dingen ziet
weet dan dat het Rijk Gods nabij is.
Voorwaar, Ik zeg u:
dit geslacht zal niet voorbijgaan vóór dit alles geschied is.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan,
maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.”
               
Homilie  


In de eerste lezing hebben we gehoord wat Johannes geschreven heeft in het boek van de Openbaring: "Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde” … “En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem" (Apk 21,1-2). Nieuw, dat is voor ons een sensatie apart. Vroeger - nog niet zo heel lang geleden - was het nieuwe per se verdacht: 'Een verstandig man beoordeelt het nieuwe naar het oude', zegt een wijsgeer uit een ver verleden, Sophocles. En iemand die een beetje meer van onze tijd is, zei: 'Het oude wordt nooit oud, oud wordt alleen het nieuwe' (Friedr. Rückert). 'Nieuwlichterij', dat woord wordt smalend gebruikt voor vernieuwingen, 'nieuwlichterij' is meer duisternis dan licht. Om de degelijkheid van iets nieuws te bewijzen, moet men kunnen aantonen dat het al oud was. Een voorbeeld daarvan is de Reformatie, daar werd teruggegaan naar de tijd van de eerste christenen. Maar in onze dagen is het net omgekeerd. Het oude is verdacht, ouderwets staat gelijk met ondeugdelijkheid, onaangepast. Nieuw is bij voorbaat goed. Dat staat dikwijls op onze artikelen. Nieuw, nieuw product, vernieuwd. Het lijkt wel of de mensheid in haar geheel is losgekomen van de aarde, van haar verworteling in plaatselijke en regionale tradities, en is overgeleverd aan steeds andere cultuurpatronen. Dat staat gelijk met cultuurloosheid, want zonder binding aan de grond, zonder binding aan het volk, zonder binding aan overgeleverde normen en waarden, verzinkt de beschaving in het nahollen van modewoorden, in het volgen van trendsetters, loopt ze na wat 'in' is, achter de waan van de dag. Vandaag iets nieuws, morgen oud nieuws.

De lezingen van vandaag nodigen ons echter uit om te kijken dat alles wat nu is, oud en nieuw, voorbij zal gaan: "Hemel en aarde, oud en nieuw, zullen voorbijgaan." Daar zouden we aan mee moeten doen door alles wat we hebben en zijn, los te laten, aan ons voorbij te laten gaan, onze zorgen, onze zonden, de rol die we spelen, het werk dat we doen, de menselijke verhoudingen waarin we zijn ingebed, om ons helemaal nieuw te laten maken door Hem, om ons door zijn Woord dat niet voorbijgaat te laten aanspreken: "Mijn woorden zullen niet voorbijgaan."

Gods Geest kan nieuw maken. Dat is nu eenmaal wat de mens niet kan. De mens kan wel vernieuwen, maar niet geestelijk. Hij komt niet verder dan uiterlijke vernieuwing, en eigenlijk is dat geen vernieuwing, maar restauratie. De vorm, het uiterlijk verandert door nieuwe aankleding, een nieuw kleurtje. Het ziet er weer fris uit, als nieuw. Het líjkt nieuw, maar het is alsof. De buitenkant is nieuw, de binnenkant blijft. Vernieuwing door de heilige Geest is altijd innerlijke vernieuwing, vernieuwing van de bezieling, van de innerlijke bedoelingen.

Bij de schepping van hemel en aarde, bij de schepping van de mens, begon God aan de buitenkant het milieu te scheppen, de aarde en daarin de mens met zijn innerlijk en zijn uiterlijk. "Toen boetseerde de Heer de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen" (Gn 2,7). Maar door de zondeval kreeg de mens een andere geest in zijn innerlijk. In plaats van de op God betrokken geest, de heilige Geest, de liefde voor God, kreeg de mens een geest van zelfzucht; in plaats van op God betrokken liefde kreeg hij een geest van eigenliefde. En de verlossing bestaat erin dat we een nieuwe geest krijgen. De profeet Ezechiël zegt namens God: "Ik zal hun een nieuw hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste uitstorten; Ik zal het stenen hart uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, opdat zij mijn wetten in acht nemen en mijn voorschriften nauwlettend onderhouden" (Ez 11,19.20).

Díe Geest van God maakt niet de buitenkant nieuw, maar de binnenkant, het innerlijk. Ja, sterker nog, die heilige Geest kan pas tot uitbloei komen doordat je het uitwendige leven verruilt voor het inwendige leven, en door je in dat beperkte uitwendige leven vooral toe te leggen op handelingen die tegen de natuur ingaan. En als je daartoe niet meer in staat bent door het afnemen van de krachten, geen nood, de heilige Geest gaat door met je leven te heiligen, van dag tot dag, van moment tot moment. Want, zegt sint Paulus, "we geven de moed niet op. Al gaan we ook ten onder naar de uitwendige mens, ons innerlijk leven vernieuwt zich van dag tot dag" (2 Kor 4,16).

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat in het eucharistisch gebeuren een hoofdrol is weggelegd voor de heilige Geest. Deze wordt afgesmeekt over brood en wijn en over de gelovigen die aan de eucharistie deelnemen, opdat wij aan die heilige Geest deel zouden krijgen. We krijgen die nieuwe Geest, de Geest van Jezus, voor hetzelfde leven dat blijft, maar de innerlijke bedoeling, de innerlijke geestkracht wordt vernieuwd.