Zaterdag in de vierendertigste week
          van het even jaar
                       Maria op zaterdag


Eerste lezing: Apokalyps 22,1-7 [III 407];
Evangelie Lucas 21,34-36 [III 408]                        


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt
door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens;
laat de komst van de Mensenzoon
u niet als een strik onverhoeds grijpen,
want die dag zal komen over allen, waar ook ter wereld.
Weest dus te allen tijde waakzaam en bidt
dat ge in staat moogt zijn te ontkomen
aan al die dingen die zich gaan voltrekken
en dat ge stand moogt houden
voor het aangezicht van de Mensenzoon.”
             
Homilie  

“Weest dus te allen tijde waakzaam.”
Waakzaam zijn, altijd maar waakzaam zijn. Deze vermaningen tot waakzaamheid liggen Jezus op de lippen bestorven, soms in combinatie met een vermaning om te bidden. “Waakt en bidt dat ge niet op de bekoring ingaat
" , zegt Hij tot zijn leerlingen in de Hof van Olijven. Mensen in onze dagen worden opgeroepen om waakzaam te zijn tegen dieven. Op de stations, en dan vooral in de grote steden, hoor je hoe de mensen worden opgeroepen tot waakzaamheid tegen tasjesdieven en zakkenrollers, en ook om je bagage niet onbeheerd achter te laten. Dat omroepen gebeurt in het Nederlands en verschillende andere talen.
Ook de veiligheidsdienst van landen wordt opgeroepen waakzaam te zijn, en de levensopgave van die veiligheidsdiensten is om te waken tegen infiltratie door de vijand binnen hun eigen systeem, te waken tegen aanslagen van terroristen. Blijkbaar is het leven gevaarlijk voor mensen. Maar toch wordt er nog dikwijls gedacht, dat wij die waakzaamheid rustig kunnen overlaten aan bepaalde mensen die daarvoor zijn aangesteld.

Jezus echter zegt: Dat kun je niet aan anderen overlaten, je moet zelf waakzaam zijn. "Weest te allen tijde waakzaam." Het leven is gevaarlijk, riskant, je wordt overal omringd door bekoringen, door strikken en voetklemmen. En de grootste bekoring is te denken dat je geen gevaar loopt, dat je veilig bent. Dat is een vals gevoel van veiligheid. Zoals die rijke man met zijn grote oogst tegen zichzelf zei: "Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan!” … “Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?" (Lc 12,19.20). Mensen zijn, zoals die rijke man met zijn grote oogst, druk in de weer met van alles en nog wat, zelfs als zij met goede werken ten dienste staan van de Kerk, maar ze zijn niet bezorgd voor het enig dat echt nodig is: hun eigen zielenheil, om zich door Jezus te láten redden. Ze hebben het gevoel dat ze zichzelf wel kunnen redden. Mensen lijken soms wel dronken, levend in een roes, met of zonder alcohol, door de drukte, de zorgen des levens. Jezus zegt daarvan: "Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens" (Lc 21,34). Kleine en grote zorgen kunnen maken dat je voortdurend onder druk staat en anderen onder druk zet. Druk, druk, druk, je hoort bijna niet anders tegenwoordig. Mensen worden meer geleefd dan ze zelf leven. Ze komen niet aan zichzelf toe. Ze kunnen zelfs niet meer genieten van de goederen die ze hebben ontvangen, van de gaven van de goede God, van de liefde van God.

Een mens is pas gelukkig als hij bij zichzelf thuis kan zijn, als hij bij zichzelf kan wonen, zoals dat van uw (de zusters van priorij Nazareth) geestelijke vader Benedictus geschreven staat. Hij had geleerd om bij zichzelf te wonen, niet uitgestort, niet levend aan de oppervlakte, maar ingekeerd, als in gebed. De ingekeerdheid van het gebed wist hij vast te houden in de omgang met mensen en dingen.

Waakzaamheid is niet zozeer een gevoel, maar een soort levenshouding die je in staat stelt om je als het ware boven je gevoelens uit te heffen en ze zo te kunnen onderscheiden. Ligt de aandacht van de mens meer bij de gaven van God, bij zijn schepping, dan is de mens meer uitgestort en naar buiten gericht en dan ontstaat er een devaluatie van geluk, een waardevermindering. Je hebt er steeds meer van nodig en daardoor wordt het minder waard. Dat geldt dikwijls ook voor kinderen met betrekking tot hun speelgoed. Hebben ze maar weinig speelgoed, dan kunnen ze daar gelukkig mee zijn. Daarin ervaren zij tegelijkertijd de liefde van de gever zelf. Zijn het verwende kinderen met veel en duur speelgoed, dan zijn ze daarmee niet gelukkig te maken.
Wij hebben een overgrote schat in de akker van ons hart. Alleen is het de kunst om daarbij te komen, om daar voeling mee te krijgen en te houden, en dat niet één maal, maar altijd. Dan wordt die schat steeds groter en ons hart wordt er steeds meer door in beslag genomen.