Heilige Columbanus, abt
HH. Andreas Dung-Lac, priester , en Gezellen,
Martelaren van Viëtnam
Eerste lezing: Daniël 2,31-45
Evangelie: Lucas 21,5-11
Inleiding
'Groot heeft de Heer gehandeld aan hen.' Maar met de martelaren van Vietnam is niet gebeurd wat mensen van God verwachten. Ze zijn niet voor lijden, vervolging, terechtstelling, en marteldood gespaard gebleven, maar ze zijn er met Gods kracht en met zijn vreugde doorheen gekomen. Groot heeft de Heer gehandeld aan deze Vietnamese martelaren.
We kennen het onbloedig martelaarschap van de Vietnamese kardinaal Franciscus Xaverius Nguyen van Thuan, die dertien jaar in gevangenschap heeft doorgebracht, en een martelaarschap heeft doorgemaakt. Op de bodem van zijn nood heeft hij geleefd uit de liefde van God. Dat heeft hem in staat gesteld te leven in dood aandoende omstandigheden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd, toen sommigen opmerkten
hoe de tempel daar prijkte
met zijn fraaie stenen en wijgeschenken,
zei Jezus:
Wat ge daar ziet:
er zal een tijd komen
dat er geen steen op de andere gelaten zal worden:
alles zal verwoest worden.
De leerlingen vroegen Hem nu:
Meester, wanneer zal dat dan gebeuren?
Maar Hij zei:
Weest op uw hoede dat gij niet in dwaling gebracht wordt.
Want velen zullen optreden in mijn Naam
en ze zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij.
Loopt niet achter hen aan.
En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten,
laat u dan niet uit het veld slaan.
Dat alles moet wel eerst gebeuren,
maar het einde volgt niet terstond.
Toen sprak Hij tot hen:
Er zal strijd zijn van volk tegen volk
en van koninkrijk tegen koninkrijk;
er zullen hevige aardbevingen zijn,
en hongersnood en pest,
nu hier dan daar,
schrikwekkende dingen
en aan de hemel geweldige tekenen.
Homilie
Jeruzalem. Een gezicht op Jeruzalem en op de parel van die stad: de tempel. Kijk eens wat een mooie stenen, en die wijgeschenken! Kijk eens hoe de tempel daar prijkt in de heilige Stad! Maar als die stad ten onder gaat, gaat er veel meer ten onder dan alleen die stad. Dan gaat een wereld ten onder, een beschaving, alles wat aan het menselijk leven zin en samenhang geeft, gaat samen met die stad ten onder. Zo is het gegaan met Jeruzalem en een paar eeuwen later met Rome, het onaantastbare Rome, het heilige Rome. Geplunderd door de barbaren. Er ging een wereld ten onder.
In 1944 werd, tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de Nevadawoestijn de eerste atoombom tot ontploffing gebracht. Vanuit een veilige uitkijkpost keken geleerden en journalisten toe en bij het geluid waarmee die ontploffing gepaard ging, en bij het zien van wat zich daar voor hun ogen afspeelde, zeiden ze: 'Dit is het einde van de wereld.' En ergens was dat ook zo. De wereld van het buskruit lag vanaf dat moment achter ons en de wereld van het atoom lag voor ons. Maar wat er voor je ligt, kun je niet zien; je ziet alleen maar hoe er iets ten onder gaat: de beschaving van het oude.
Wij hebben ook zoiets meegemaakt op elf september 2001, die mooie zonnige nazomerdag. De wereld wordt nooit meer wat ze voor die tijd was. Elke mens, waar ook ter wereld, is potentieel slachtoffer van het internationale terrorisme. De wolkenloze, warme nazomerdag van de veiligheid, de welvaart, het onbewolkte bestaan is weg. Zo kan het gaan in het groot, maar zo kan het ook gaan in het klein. Bij het verlies van een dierbare, bij het zich manifesteren van een ziekte, het wegvallen van een contact, het zich openbaren van een ondeugd. Dan kan ook het gevoel ontstaan: er valt een wereld in elkaar. En uiteindelijk zullen alle mensen dit meemaken, want als wij sterven, zal voor ieder van ons persoonlijk de wereld ten onder gaan.
Die wereldondergangen in het klein kunnen ons voorbereiden op de laatste wereldondergang. Het is allemaal nog niet het einde, het lijkt wel zo, maar het is nog niet zo. Je moet het allemaal zien in het licht van de laatste wereldondergang. "Wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond." Deze perikoop is genomen uit het evangelie van Lucas. Bij Lucas begint zich heel duidelijk de tijd af te tekenen tegen het einde van de tijd, tegenover de jongste dag. De Kerk begint bij Lucas geschiedenis te maken, kerkgeschiedenis. Hij is de eerste kerkhistoricus. In de Handelingen der Apostelen beschrijft hij de begingeschiedenis van de Kerk. Wat wil dat eigenlijk zeggen, dat de Kerk geschiedenis maakt? De Kerk is het Rijk Gods op aarde, de Kerk is zoveel als de hemel op aarde.
Hoe is dat met het leven in de navolging van Christus? Het gewone leven moet toch doorgaan? Eigenlijk kan dat niet. Wij leven voortdurend in het gezicht van het einde, met onze tekorten, zwakheden, de beperkingen van het menselijk bestaan: eten, drinken. Hoe kun je dat nu volhouden? Dat kan door telkens opnieuw je zwakheid, je grenzen, te aanvaarden, niet teruggrijpen op jezelf, je niet vastgrijpen aan het hier en nu dat toch maar voorlopig is, maar je in de beleving van die grenssituatie overgeven aan Hem die staat aan de andere kant van de grens. Wanneer je je overgeeft aan Hem, zal Hij met zijn kracht jouw zwakte aanvullen. Jezus weet dat het moeilijk is om je niet door het betrekkelijke en het voorlopige, door compromissen en de zorgen van deze wereld, te laten opsluiten en te laten verstikken. Hij weet hoe moeilijk het is om niet op te gaan in het hier en nu. Daarom heeft Hij ons binnen het voorlopige, binnen de aardse geschiedenis, het Sacrament van de heilige eucharistie gegeven. Dat is het einde van de wereld binnen de wereld, een voorgave, een viaticum, een spijze voor onderweg. Om de moed erin te houden. Hij die komen gaat, is nu al bij ons!