Vrijdag in de vierendertigste week
         van het oneven jaar
Eerste lezing: Daniël 7,2-14  
Evangelie: Lucas 21,29-33


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd maakte Jezus een vergelijking
en zei tot zijn leerlingen:
“Kijk naar de vijgenboom en naar alle andere bomen:
zodra ze uitlopen weet ge vanzelf als ge dat ziet,
dat de zomer in aantocht is.
Zo ook, wanneer ge al deze dingen ziet,
weet dan dat het Rijk Gods nabij is.
Voorwaar, Ik zeg u:
dit geslacht zal niet voorbijgaan vóór dit alles geschied is.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan,
maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.”

Homilie  

“Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan."
Wat Jezus in het evangelie zegt met woorden, zien we in de eerste lezing voor ons met onze ogen. Het gaat over de hemel en de aarde. Eerst over de aarde, die beheerst wordt door beesten die met hun macht tot in de hemel schijnen te heersen. Als mensen moeten leven onder zulke tirannen, hebben ze inderdaad het gevoel dat die de hemel en de aarde de baas zijn. Daniël, de profeet die dit visioen of beter gezegd deze nachtmerrie heeft gehad, leefde onder koning Antiochus Epifanes. Deze koning wordt bedoeld met "die elfde hoorn die opschoot met mensenogen en een mond vol grootspraak, het vierde beest, schrikwekkend, vreesaanjagend, geweldig sterk, met grote ijzeren tanden waarmee het vrat en vermaalde en wat het overliet vertrapte het met zijn poten." Het beheerst heel de scène: aarde én hemel, er is niets anders meer, en dat schijnt ook altijd te duren.

In de geschiedenis neemt dat steeds andere vormen aan. Ten tijde van de profeet Daniël was het deze koning Antíochus Epifanes, tijdens het Romeinse Rijk was het Nero, later Attilla de Hunnenkoning, Napoleon, sommige tsaren, waarvan één de Verschrikkelijke heette, en in onze dagen Hitler, een man met een mond vol grootspraak, brallende redevoeringen die massa's in vervoering bracht. Maar ook in de kleine geschiedenis van je eigen hart kunnen er zulke situaties zijn, krachten losbreken, blinde instincten, hartstochten, emoties, waarbij je het gevoel hebt: er is gewoon niets anders, dat ben ik hélemaal. Maar in het diepst van mijn hart, waar ik van de heilige Geest ben, wil ik het níet. En dát zal er op een gegeven ogenblik weer uitkomen. "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan." Dat Woord is vlees geworden en in Zichzelf heeft het diezelfde geschiedenis doorgemaakt. Let maar eens op hoe het gaat in die geschiedenis: "Het gerechtshof zette zich neer en de boeken werden geopend." Het is net alsof die schrikwekkende scène zich ontspant. Het gerechtshof, de eigenlijke waarheid, het vierde beest gedood, de overige dieren beroofd van hun macht. De krachten van de hemel en de aarde worden geschokt. Datgene wat alles en allen leek te beheersen, is weg, "maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan."

"Ik zag op de wolken iemand aankomen die op een Mensenzoon geleek." Mensenzoon is in de taal van de profeet een individu en een heel volk tegelijk. Het is dat armzalige, door de tiran onderdrukte, gefolterde, gemartelde volk en al die andere volkeren, zoals bijvoorbeeld de Tsjetsjenen en de mensen van Oost Timor, de Joden, de Armeniërs, enzovoort. En "Hij ging (en zij gingen) naar de Hoogbejaarde en werd(en) voor Hem geleid. Toen werd Hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die nooit vergaat, zijn koninkrijk gaat nooit te gronde." Dát is de echte, de uiteindelijke, de definitieve werkelijkheid. Onder Gods koningschap zullen alle aardse machten, of ze nu buiten jezelf zijn of binnenin jezelf, het tenslotte moeten verliezen. Dat is de boodschap van de beide lezingen. Verschrikkingen zijn van tijdelijke aard. God is Heer en Meester van heel de geschiedenis en Hij is barmhartig.