Zaterdag in de vierendertigste week
          van het oneven jaar

Eerste lezing: Daniël 7,15-27  
Evangelie: Lucas 21,34-36


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt
door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens;
laat de komst van de Mensenzoon
u niet als een strik onverhoeds grijpen,
want die dag zal komen over allen, waar ook ter wereld.
Weest dus te allen tijde waakzaam en bidt
dat ge in staat moogt zijn te ontkomen
aan al die dingen die zich gaan voltrekken,
en dat ge stand moogt houden
voor het aangezicht van de Mensenzoon.”

Homilie  

“Bij het visioen dat ik zag,
sprak Daniël, verkeerde ik inwendig in verwarring en de beelden die door mijn hoofd gingen, verontrustten mij." Een visioen als een boze droom, als een nachtmerrie, en zo beleeft Daniël het dan ook. "Ik verkeerde in inwendige verwarring en de beelden die door mijn hoofd gingen verontrustten mij." Dat is wat een nachtmerrie doet, het is niet te plaatsen. Het is als een door elkaar gegooide legpuzzel, onsamenhangend en niet te verwerken, niet te integreren. Zo is het dikwijls ook in het leven. Het leven is te groot of ons hart is te klein. We staan in een wereld waarvan de afmetingen ons voortdurend overspannen maken. Het gaat te snel, we kunnen het niet bijbenen, de woorden zijn te groot, we eten ons een indigestie aan van alles en nog wat, zelfs aan dingen die ons ongevraagd worden voorgeschoteld.

Maar je hebt ook het tegenovergestelde, of misschien is dat juist een gevolg daarvan. We wiegen onszelf in slaap, we stellen onszelf gerust of we worden gerust gesteld. De opiniemakers roepen vrede, vrede, vrede, en er is geen vrede. En toch gaat alles goed; het is nog nooit zo goed gegaan! Dát noemt Jezus een roes: "een roes van dronkenschap en de zorgen des levens." We raken in paniek of vallen terug in moedeloosheid. We zijn angstig of loom, opgejaagd of traag, vernederd of zelfgenoegzaam. Tussen die twee uitersten bevindt zich de christen. Hij wordt opgejaagd, opgeschrikt, ofwel gebónden door de netten van de aanpassing. De zorgen van het gewone leven houden in dat je opgaat in de voor de hand liggende, in het voor handen zijnde, dat je niet verder kijkt dan je neus lang is.

Uw stichteres (moeder Mechtildis van het heilig Sacrament, stichteres van het instituut van de benedictinessen van de altijddurende aanbidding) zegt dan ook: 'Zuiverheid van mening is het eerste sieraad van een zuster van het heilig Sacrament. Die aanhoudende slachtoffering bestaat geheel en al uit innerlijke waakzaamheid en die vereist twee dingen. Ten eerste: De blik zuiver gericht houden op God, zoals Jezus altijd zijn Vader op het oog heeft. Ten tweede: Onszelf vergeten door een heilige verwaarlozing van een eindeloos aantal zaken, die ons op verschillende manieren in beslag nemen, nu eens door tederheid, door begeerten, door vrees voor een of andere vernedering, dan weer door onrust, of doordat ons een of ander genoegen ontzegd wordt, of door het nagaan van andermans bedoelingen en handelingen en nog duizend dergelijke dingen die ons zo bezet en geboeid houden, dat wij de inwendige aandacht voor God erdoor verliezen.' En dat leven in de gemeenschap is nu juist bedoeld om te voorkomen dat men opgaat in de zorg voor het alledaagse levensonderhoud.

De eerste monniken leefden alleen, het waren eenlingen, eremieten, ze hadden daarom wel veel tijd en aandacht nodig voor het dagelijkse levensonderhoud, voor het verdienen van geld. Dat gaf zoveel afleiding, dat men besloot in gemeenschap te gaan leven en het werk zo te organiseren dat men gemeenschappelijk ging doen wat men eerst alleen deed. Dit is eigenlijk het tegenovergestelde van wat er in onze huidige maatschappij aan de orde is: mensen gaan steeds meer alleen doen wat ze eerst samen deden. Het worden steeds kleinere eenheden, ieder zorgt voor zichzelf. En daardoor, of men nu in vroeger tijd leefde of in deze tijd, heb je de zorg voor duizend en één dingen. Het zijn als netten waarin je gevangen raakt en waardoor je niet kunt uitgroeien tot kind van God. Daarom zegt Ignatius in de Geestelijke Oefeningen: 'Is iemand minder in beslag genomen en verlangt hij vooruit te gaan waar het maar mogelijk is, dan zal men al de geestelijke oefeningen geven. Als regel zal hij er des te meer in vooruitgaan, naarmate hij zich meer van alle vrienden, bekenden en van alle aardse zorgen afzondert. En als iemand zich van veel vrienden en kennissen en ook van veel niet welgeordende zaken afzondert om God onze Heer te dienen en te loven, dan is dat geen geringe verdienste voor het oog van zijn goddelijke Majesteit' (GO nr.20).

Op deze manier word je vrij voor Hem, die van zijn kant vrij is voor de mens. 'Jahwe is zijn Naam', 'Ik ben er voor u. Dit is mijn Lichaam voor u. Ik heb alle tijd, alle zorg voor u.' Ignatius zegt in diezelfde Geestelijke Oefening: 'Hoe meer onze ziel zich alléén bevindt en afgezonderd, des te meer maakt hij zich gereed te naderen en te komen tot haar Schepper en Heer: en hoe meer zij Hem naderkomt, des te meer disponeert zij zich om genaden en gaven te ontvangen van zijn goddelijke en hoogste Goedheid.' Maar God wil daar niet op wachten, Hij wil zo al wel komen. Als men zich invoegt in het Lichaam van Christus, krijgt men ook het voedsel van het eeuwige leven. Dan krijgt men Hemzelf! Hij komt, zoals wij straks ook zullen zingen: 'Benedictus qui venit in nomine Domini,' 'Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heer.' Hij komt, gratis en voor niets, als een genade.