34e en laatste zondag door het jaar, jaar A
Eerste lezing: Ezechiël 34,11-12.15-17 [A 209]; antwoordpsalm: Psalm 23,1-2a.2b-3.5-6 [A 209];
tweede lezing: 1 Korintiërs 15,20-26.28 [A 210]; vers voor het evangelie: Marcus 11,9-10 [A 211]
Evangelie: Matteüs 25,31-46 [A 211]
Inleiding
Het was op Christus Koning in het jaar 1937 dat hier in deze kapel de altijddurende Aanbidding de vorm begon aan te nemen van de altijddurende uitstelling van het allerheiligste Sacrament. Aanbidding was er altijd al, en uitstelling van het Allerheiligste Sacrament alleen op donderdagen en op bepaalde hoogfeesten. Maar van toen af aan was de aanbidding altijd bij het uitgestelde allerheiligste Sacrament, zoals u dat hier gewend bent.
Waarom op Christus Koning? Omdat, zoals de geschriften het vertellen, de goddelijke Heiland Zichzelf in zijn koninklijke waardigheid aan Moeder Stichteres getoond heeft in het allerheiligste Sacrament en aan haar, Moeder Mechtildis, gezegd heeft, dat Hij de Koning zou zijn van de dochters van het allerheiligste Sacrament, en dat zijn moeder hun Koningin zou zijn. Dat wordt hier dan ook tegenwoordig gesteld met het beeld van Maria achterin de kapel, met de kroon op het hoofd als koningin.
In het uitgestelde Allerheiligste komen de twee elementen die onafscheidelijk bij elkaar horen, samen: vernedering en verheffing, dat is het geheim van Christus Koning. Vernedering: 'als geslacht'. We hebben het zo-even gezongen: 'Het Lam dat als geslacht werd (als slachtoffer), is waardig macht te ontvangen', niet alleen hier op aarde maar ook in de hemel.
Slachtoffer zijn is wel het ergste wat een mens kan overkomen. Slachtoffer van terreuraanval, slachtoffer van rampen, slachtoffer van een ziekte. Jezus staat daar als slachtoffer van de zonde. Maar Hij staat er ook in de glorierijke luister van het uitgestelde heilig Sacrament om de eer in ontvangst te nemen van heel de wereld, van heel de schepping, van hemel en aarde. De allerdiepste vernedering is tegelijkertijd de allerhoogste verheffing.
Beginnen wij dan met ons te vernederen en vandaag, op zondag, doen we dat door ons doopsel opnieuw te vieren als een boete-act, door ons te laten besprenkelen met het gewijde water. Want wat doen wij in het doopsel anders dan ons laten begraven in het waterbad van het lijden en de dood van onze Heer Jezus Christus, om zo de afdaling ten einde toe, de zelfvernedering van onze Koning bewust mee te maken, om dan samen met Hem te verrijzen, op te staan uit het watergraf in het nieuwe leven.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid
en vergezeld van al zijn engelen,
dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie.
Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden
en Hij zal ze in twee groepen scheiden,
zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken.
De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand,
maar de bokken aan zijn linker.
Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen:
komt gezegenden van mijn Vader
en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is
vanaf de grondvesting der wereld.
Want Ik had honger en ge hebt Mij te eten gegeven.
Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven.
Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.
Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed.
Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht.
Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht.
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien
en u te eten gegeven?
Of dorstig en U te drinken gegeven?
En wanneer zagen wij U als vreemdeling
en hebben U opgenomen?
Of naakt en hebben u gekleed?
En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis
en zijn U komen bezoeken?
De Koning zal hun ten antwoord geven:
voorwaar, Ik zeg u:
al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten
van mijn broeders hebt ge voor Mij gedaan.
En tot die aan zijn linkerhand zal hij zeggen:
gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur,
dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten.
Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven.
Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven.
Ik was vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen,
naakt en gij hebt Mij niet gekleed.
Ik was ziek en in de gevangenis
en gij zijt Mij niet komen bezoeken.
Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig,
of als vreemdeling, of als naakt of ziek, of in de gevangenis
en hebben wij niet voor U gezorgd?
Daarop zal Hij hun antwoorden:
voorwaar, Ik zeg u,
al wat ge niet voor een van deze geringsten hebt gedaan,
hebt ge ook voor Mij niet gedaan.
En deze zullen heengaan naar de eeuwige straf,
maar de rechtvaardigden naar het eeuwig leven.
Homilie
Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden", ieder met hun eigen identiteit, met hun eigen geschiedenis, hun eigen verleden, hun eigen plaats tussen de andere volken met wie ze in vrede leven of in oorlog zijn, rijke volken, arme volken, kleine volken, grote volken, alle volken met heel hun verscheidenheid. Ineens worden zij door een onzichtbare hand bijeengebracht. "Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden." Ze laten hun wapens vallen, ze houden op met hun leiders toe te juichen, hun sporthelden, het vloeken houdt op, het gebral van de godslasteraars, evengoed als de zegeningen van de dienaren van God. Eens is dat al voorzien door de schrijver van psalm twee, die in het koorgebed aan het woord is geweest: "Waarom zijn de volken rumoerig, beramen de naties verzet? De heersers der aarde komen in opstand, maar die woont in de hemel Hij lacht. Hij zegt: Ikzelf heb mijn Koning aangesteld op Sion, mijn heilige berg. Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt. Ik geef U de volken als erfdeel, schenk U de aarde als eigendom." De Mensenzoon komt in de heerlijkheid en vergezeld van alle engelen - van zijn hemelse hofhouding wil dat zeggen - zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Door een onzichtbare hand zullen alle volken vóór Hem bijeen gebracht worden. En daarmee komt aan alle onderscheidingen een einde. God is de allerhoogste, Koning van de koningen, aan Hem zijn allen verantwoording verschuldigd en daarmee vallen alle onderscheiden tussen hoog en laag, tussen wit en zwart, tussen goed en slecht, weg.
Dat is de situatie waarop volgens Benedictus de monniken, maar dat geldt eigenlijk voor alle mensen, gericht moeten zijn tijdens hun leven. De eerste trap van nederigheid bestaat hierin, dat men door de vreze Gods - dat betekent dat men God dus boven alles hoogacht - altijd voor ogen te houden, ten zeerste op zijn hoede is voor de vergetelheid, want de mens moet overtuigd zijn, dat God hem altijd vanuit de hemel gadeslaat, en dat zijn doen en laten overal door Gods oog wordt gezien en onophoudelijk door de engelen wordt gemeld. We moeten elke dag, elk uur, leven als was het de dag van het Godsoordeel.
Oordelen is een handeling van God en wel een exclusief goddelijk handelen. Alleen God komt het oordeel toe. "Oordeelt niet, opdat ge niet geoordeeld wordt" (Mt 7,1; vgl Lc 6,37), door God. Want het oordeel is hier een oordeel over goed en kwaad, niet over goede en kwade daden. Daar kan een mens zelf over oordelen, zelf uitmaken of iets tarwe is of onkruid. Van wat een mens doet of wat een mens zegt, daarvan kun je zeggen: dat is verkeerd, dat is niet verkeerd, of: dat is goed, dat is niet goed, daar is niets verkeerd aan. Maar een mens kan nooit zeggen: die méns is verkeerd, en je kunt ook niet zeggen: die méns is goed, want dat komt alleen God toe, omdat alleen God harten en nieren doorgrondt. En dáár gaat het oordeel over. Niet over wat er uitkomt, maar over de bron, over het innerlijk, het hart. Het hart is altijd verborgen. Niemand kent het menselijk hart, de mens kent zelfs niet zijn eigen hart. Alleen God doorgrondt harten en nieren. Dat is een eigenschap van God zelf. Dat is een siertitel die God alleen toekomt.
Wat de mensen niet mogen en niet kunnen, dat wordt hier door een goddelijke hand voltrokken: er wordt een scheiding gemaakt tussen goeden en kwaden. Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. Hier is alles gemengd: goed en kwaad door elkaar. Goede woorden uit een slecht hart, mooie daden met verkeerde bedoelingen. En ook andersom: het is niet zo mooi wat eruit komt, maar het motief is zuiver, het hart is rein. Of: het was wel verkeerd wat hij zei of deed, maar het was meer onmacht dan onwil, meer zwakte dan boos opzet. Maar dat weet alleen God. God alleen kent het hart.
Hier is alles gemengd, hier bestaat geen zwart, dat is in de hel, en hier bestaat ook geen wit, dat is in de hemel. Elke stof is gemengd, zeggen de chemici, die proefondervindelijk het hebben vastgesteld. Water is nooit 100% water, er zit altijd wel iets anders bij. Zo is het ook in de morele orde. Mensen kunnen heel zuiver zijn, maar iemand kan nog zo heilig zijn, hij moet en kan zeggen: 'door mijn schuld, door mijn grote schuld.'
Hier op aarde heb je alleen heilige zondaars, of zondige heiligen. Zondigen is handelen tegen de wil van God, maar dat zondaars en heiligen altijd bij elkaar zijn, dat is niet tegen de wil van God, dat is overeenkomstig zijn wil. "Bemint uw vijanden, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor ondankbaren en slechten. Bidt voor wie u vervolgen. Hij laat immers de zon opgaan over slechten en goeden en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." De werkelijke tegenwoordigheid van de Allerhoogste schept ruimte en geduld in het menselijk hart.
De mensen hebben de neiging om zich te vergrijpen aan dit alleenrecht, dit monopolie, van God. De oerzonde van de mens is gelijk te willen zijn aan God en dat betekent in concreto: zich het oordeelsrecht van God aan te matigen. De mensen zijn geneigd om een scheiding door te voeren tussen goeden en kwaden en dat begint al bij het allergeringste oordeel: ik ben goed en die is verkeerd. Dat wordt doorgevoerd in de samenleving, in de menselijke verhoudingen: die zijn goed en die zijn niet zo goed, dat zijn de goeden, dat zijn de slechten. Maatschappelijk kan dat ook nog eens worden uitvergroot: dat zijn de slechte burgers en dat zijn de goede burgers. De mensen uit die bepaalde buurt, uit die bepaalde familie, van dat andere volk, met die andere godsdienst of andere cultuur, die zijn slecht en wij zijn goed. En dan kunnen we nog een stap verder gaan: je kunt een scheiding doorvoeren, een zuivering, de slechten eruit, de goeden eindelijk met rust gelaten. Amerika en Israël zijn slecht, ze moeten eruit, ze moeten worden gehaat en van de landskaart worden weggeveegd. En andersom: Noord-Korea en Iran zijn de as van het kwaad en moeten worden geïsoleerd. Dat zijn uitvergrotingen van wat er in het klein en in het eigen hart begint. Want hoe dikwijls wordt er niet gezegd: Man ga weg, schiet toch op, of: die kan ik wel schieten, of: die kan ik niet luchten of zien, of: die moet bij mij uit de buurt blijven. Jezus zegt: het zijn mijn broeders, het zijn mijn zusters. "Wat ge aan de minste van mijn broeders hebt gedaan, hebt ge voor Mij gedaan."
Het oordeel gaat dus niet uit naar zomaar een medemens, nee, het gaat uit naar iemand die Jezus tot zijn broeders heeft gerekend en zal blijven rekenen tot aan het oordeel toe, tot aan het eind van de geschiedenis: ze blijven zijn broeders en zusters. Jezus houdt ons voor geen zuivering door te voeren, het kwaad en de kwaden niet gewelddadig te verdringen, want als je daarmee begint, is het einde zoek. Of liever gezegd: dan is het einde daar! Dan krijg je oorlog, in het groot of in het klein, maar niemand is dan meer veilig. Kijk waar het op uitloopt, dan houd je ermee op om in het klein ermee te beginnen, het allerkleinste toe te staan. Je loopt op een weg en je eindigt met het grootste vuur.
De geringste der broeders en zusters kan groot worden omdat Jezus, de Koning der koningen, Zich er de broeder van heeft genoemd. Hij die groot is door zijn zorg voor de kleinen, voor de allerkleinsten, zoals de Vader groot is geworden voor zijn Zoon, die Zich van de allerlaagste plaats in het mensdom, in de menselijke geschiedenis, heeft verzekerd.