Feest van de heilige Johannes, apostel
Eerste lezing: 1 Johannes 1,1-4 [IV 130]
Evangelie: Johannes 20,2-8 [IV 131]
Inleiding
Alweer worden we vandaag door de Kerk, zo lijkt het, op het verkeerde been gezet. Eerst wordt de kerstsfeer wreed verstoord door meteen op de tweede dag van het octaaf het wit te verruilen voor het bloedrood van de martelaar Stefanus, morgen worden we zelfs op een compleet bloedbad getrakteerd en vandaag, op de derde kerstdag, is het ineens Pasen. We lezen hetzelfde evangelie dat de Kerk op Paasmorgen leest. Een verhaal over Pasen? En we zitten nog midden in het octaaf van Kerstmis. Johannes gaat samen met Petrus in alle vroegte op weg naar het graf. Het kerstfeest van de Kerk krijg je pas goed in het oog als je ernaar kijkt door een paasbril. Of - en dat is hetzelfde - door een eucharistiebril. We vieren de geboorte van Christus altijd met een eucharistie, dat wil zeggen: het lijden en de dood van onze Heer Jezus, gezien met de ogen van de liefde, met de ogen van sint Jan, de apostel van de liefde.
Belijden wij dan eerst, voor wij dit geheim van liefde gaan vieren, onze zonden, onze eigenliefde, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Op de eerste dag van de week
liep Maria Magdalena snel naar Simon Petrus
en naar de andere, de door Jezus beminde leerling
en zei tot hen:
Ze hebben de Heer uit het graf genomen
en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.
Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf.
Ze liepen samen vlug voort,
maar de andere leerling snelde Petrus vooruit
en kwam het eerst bij het graf aan.
Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen,
maar hij ging niet naar binnen.
Simon Petrus die hem volgde, kwam ook bij het graf
en trad wel binnen.
Hij zag dat de zwachtels er lagen,
maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt
niet bij de zwachtels lag,
maar ergens afzonderlijk opgerold op een ander plaats.
Toen ging ook de andere leerling
die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen,
hij zag en geloofde.
Homilie
Op de eerste dag van de week liep Maria Magdalena snel naar Simon Petrus." Iedereen liep snel die ochtend, die Paasmorgen. Maria Magdalena liep snel, de leerlingen liepen snel. De één liep nog sneller dan de ander. Snel lopen is hier niet een uiting van menselijk ongeduld, van niet kunnen wachten, van ongeordendheid of nieuwsgierigheid. Zo reisde ook Maria met spoed, met haast, naar het bergland om het teken te aanschouwen dat de engel haar had aangekondigd. Zij is verlangend naar het grote nieuws, het goddelijke nieuws, de Blijde Boodschap. En zo hadden ook de herders in de kerstnacht haast. Zij haastten zich erheen, naar Betlehem om het teken te zien dat de engel hun had aangekondigd. "Dit zal u een teken zijn: gij zult een pasgeboren Kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe" (Lc 2,12).
Haast is hier het tempo van de heilige Geest, die ontheft aan de aardse zwaartekracht, die de voeten vleugels geeft, vleugels van de heilige Geest. Zoals ook de stem krachtig wordt wanneer deze in de greep komt van de heilige Geest. Eerst liepen de twee leerlingen samen vlug voort, maar dan maakt de leerling die Jezus liefhad zich los van Petrus. Hij snelde hem vooruit. Dat betekent: hij werd meegenomen door een nog krachtiger aandrang van de heilige Geest. En wat zag hij? "Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen. En wat zag Petrus, toen hij de leerling had ingehaald? Hij zag dat de zwachtels er lagen en dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats. Toen ging ook de andere leerling naar binnen. Hij zag en geloofde."
Die zwachtels en de zweetdoek waren blijkbaar een teken, en ook de manier waarop ze daar lagen. Een teken waarvan? Zwachtels en zweetdoek zijn de kleding van een dode. Zo was ook de dode Lazarus gekleed. Toen hij op Jezus' woord uit zijn graf naar buiten kwam, zo staat er, waren zijn voeten en handen met zwachtels omwonden en ook zijn gezicht met een zweetdoek. Wat een gestorvene gebonden houdt, werd door Jezus achtergelaten. En hoe achtergelaten? Zo geschikt en geordend dat de kleding van de dode de hand verraadt van een levende, van dé Levende. Ze vinden het graf in opgeruimde staat. Als dode naar binnen gedragen, heeft Jezus het graf als Levende verlaten. Wat door de haat van de mensen werd omgebracht, werd door een liefdevolle hand opgewekt.
Maar dat Jezus zo gebonden werd, omwonden, omwikkeld, is eigenlijk een teken van ongeloof. Jezus werd niet alleen in het graflinnen gewikkeld, Hij werd er ook in gebonden. Ze bonden Jezus toen ze Hem gevangen namen. Mensen bonden Hem toen ze Hem begroeven, zoals ze ook Lazarus gebonden hadden, voor ze hem in het graf neerlegden. Daarom zegt Jezus ook: "Maakt hem los" (Joh 11,44), ontbindt hem. Doe zijn boeien los. Als een gevangene hebben ze Jezus in het graf gebonden in de dood. Dat graflinnen is dus allereerst een teken van de dood en van het ongeloof in de verrijzenis. Maar het wórdt een teken van de verrijzenis. Een verrijzenis uit de dood. Het doodskleed dat Hem bond, ligt er zonder dode en de zweetdoek is zelfs op orde gebracht en verraadt de hand van de Levende.
Zo was het aan het einde, maar zo was het ook aan het begin. Ook daar doeken als teken. "En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren Kind vinden in doeken gewikkeld." Hoe kan dat nu een teken zijn? Een kind ligt toch altijd in doeken gewikkeld. Daar is het nu net een kind voor. Elk pasgeboren kind wordt in doeken gewikkeld. Die doeken dienen dus eigenlijk alleen om aan te geven dat het hier om een echt klein kind gaat. Wij zouden zeggen: het ligt nog in de luiers. Daaraan kun je herkennen dat het echt een kind is. Het is als het ware het uniform van het kind. Zoals het doodshemd het uniform van een dode is. Dat betekent dus: je zult een kind vinden, een klein kind. 'Een Kind is ons geboren.' De kinderen werden toen, zoals u zo dikwijls op afbeeldingen ziet, stijf in doeken gewikkeld, ingebakerd. Het is geen kleding, het zijn meer windselen, doeken. En zo begint dat kind, in doeken gewikkeld, als een gevangene in zijn boeien, toch weer heel veel te lijken op wat Petrus en de andere leerling daar in dat graf aantreffen.
Het geboortekleed en het doodskleed zijn beide tekenen hoe nabij Hij ons is willen komen. Als een kind in doeken gewikkeld, een kind dat zichzelf niet kan helpen, als een dode in zijn doodskleed gebonden, als een gevangene in zijn boeien. Dat is het teken van de Mensenzoon, van God als een mensenkind. Een teken van zijn eindeloze vernedering. In zijn menswording verbond Hij Zich met de mensheid en deed Hij afstand van zijn goddelijke luister en van zijn goddelijke vrijheid. Hij liet Zich binden, zoals mensen gebonden worden. En alsof deze vernedering niet voldoende was, neergebogen naar ons mensen werd Hij slaaf en nam Hij onze schuld op zijn schouders en liet Zich binden aan het kruis. Binden in het graflinnen.