Eerste lezing: Hosea 6,1-6
Evangelie: Lucas 18,9-14
Inleiding
De mond openen om God te loven, dat kunnen wij zelf wel. Maar om dat te doen vanuit het hart, om niet onszelf erin te zoeken, zoals de Farizeeër in de tempel in het evangelie van vandaag dat in zijn gebed deed, dat is iets wat wij niet zelf kunnen. Je kunt het nog zo goed willen, het nog zo goed bedoelen, maar het kan je alleen in genade gegeven worden. Het beste gebed vanuit het hart moet door God worden ingestort, zoals we horen van sint Paulus: "Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen (Rom 8,26). En ergens anders zegt hij: Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader" (Rom 8,15). Dat is de Geest, die nieuwe Geest die God in ons hart heeft uitgestort bij het doopsel en het vormsel en Hij doet dat steeds weer opnieuw. Wij zullen Hem nu opnieuw aanroepen om ons hart te zuiveren, opdat de woorden ons door God gegeven, door een gezuiverd hart zullen worden bewogen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd vertelde Jezus met het oog op sommigen,
die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten,
de volgende gelijkenis:
Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden.
De één was een Farizeeër en de andere een tollenaar.
De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt:
God, ik dank U dat ik niet zo ben als de rest van de mensen,
rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers of ook als die tollenaar daar.
Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten.
Maar de tollenaar bleef op een afstand
en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel;
maar hij klopte zich op de borst, en zei:
God, wees mij, zondaar, genadig.
Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis
en niet die andere;
want al wie zich verheft zal vernederd,
maar wie zich vernedert zal verheven worden.
Homilie
Al wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden." Bedoeld wordt: wie zich verheft tegenover God zal vernederd worden door God, en wie zich vernedert voor God zal verheven worden door God. Ook die rechtvaardiging waar Jezus het over heeft: "Deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere", is een rechtvaardiging door God. Per slot van rekening gaat het hier over hoe twee mensen zich gedragen tegenover God in de tempel, in het gebed. "Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden." Maar de aanleiding is niet hoe mensen zich gedragen tegenover God, maar hoe mensen zich ten opzichte van elkaar gedragen. Jezus vertelde deze gelijkenis "met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid de anderen minachtten", op de anderen neerkeken. Of in de termen van de parabel: die zich verhieven boven anderen en van daaruit, vanuit dat superieure verheven zelfgevoel, neerkeken op de anderen. En dat niet op grond dat zij lichamelijk groter waren, of op grond van hun intellectuele meerwaardigheid, of omdat ze meer geld hadden of meer goederen, nee, ze keken neer op anderen op grond van hun morele superioriteit, omdat ze gerechtigen waren, omdat ze het tegenover God goed getroffen hadden, omdat ze het gemaakt hadden, omdat het betere mensen waren, beter dan de anderen. Het bijzondere is dat ze dat niet alleen dachten en voelden, maar dat ze ergens ook beter wáren, ze wáren gewoon beter. En wie je bent in je verhouding tot de mensen, dat ben je natuurlijk ook in je verhouding tot God.
De Farizeeër ís echt iemand, en zo gedraagt hij zich dan ook in de tempel bij God. Met opgeheven hoofd, helemaal naar voren lopend tot vlak bij het Heilige der Heiligen, en op die manier vult hij de tempel van God met zijn eigen aanwezigheid. Voor de Joden is God de Aanwezige, altijd en overal: 'Hij is die is'. Dat betekent dat God voor de Joden de ruimten vult van heel de schepping, maar ook van hun eigen geest, van hun eigen hart. Ze zingen dat de schepping vervuld is van Gods glorie. Glorie is een woord waarin het woord 'zwaar' zit, 'gewichtig'. Wij zouden zeggen: de wereld is vol van Gods prestige, van Gods gewichtigheid. Als iemand met prestige binnenkomt in een ruimte waar veel mensen zijn, dan wordt er al gauw gefluisterd: dat is een gewichtig, belangrijk iemand, en iedereen is op dat moment vervuld van zíjn aanwezigheid. Zo deden de Farizeeën ten opzichte van de mensen: gewichtig, iedereen moest naar hen opkijken, ze maakten hun mantelkwasten groot en hun gebedsriemen breder dan die van de andere gelovigen en ze namen de voornaamste plaatsen in bij de maaltijden en in de gebedsbijeenkomsten (vgl. Mt 23,5.6).
Maar die Farizeeër is natuurlijk ook maar wat hij is. Hij is ook maar een zondaar op weg naar de totale ondergang als God hem niet genadig zou zijn. De Farizeeër doet zich dus anders voor dan hij is. De houding die hij aanneemt tegenover de mensen en tegenover God kan niet gedekt worden door wat hij is, en dat veroorzaakt een zekere krampachtigheid, een zekere gespannenheid. Hij kan niet gewoon zichzelf zijn, hij moet er iets bijhalen op grond waarvan hij die verheven houding tegenover de mensen en tegenover God kan aannemen en volhouden. In wat hij is kan hij het niet vinden. Op grond van zijn wezen kan hij het niet maken zo'n houding aan te nemen, wel, dan maar op grond van wat hij níet is. "God, ik dank U dat ik niet zo ben als de rest van de mensen." En hij maakt een selectie onder alle mensen. Maar dat zijn nu net de mensen die in de ogen van álle mensen inderdaad slechter zijn: "rovers, onrechtvaardigen, echtbekers." Maar dat vindt hij toch een beetje ver bij zich vandaan staan, dus neemt hij ook maar het voorbeeld van "die tollenaar daar", dat herkent iedereen. Als tollenaar ben je de minste van de mensen, zoveel als het zwarte schaap van de familie.
Om zich boven de tollenaar te stellen, komt de Farizeeër aandragen niet met wat hij ís, maar met wat hij dóet: vasten. Dat kan iedereen zien, en anders zorgt hij er wel voor dat iedereen het goed kan zien. Iedereen vast eenmaal per jaar met de Grote Verzoendag, maar "ik vast tweemaal per week en ik geef tienden van al mijn inkomsten," Dus niet alleen de eerstelingen van de oogst, zoals iedereen deed, de eerste worp van de dieren, de eerstgeborene, maar van alles wat hij beurt. Er zit niemand op zijn zelfverheffing te wachten, maar het helpt hem, om zijn imago van wie hij is, voor de anderen zichtbaar te maken. Hierop past wat in de eerste lezing uit de profeet Hosea werd gezegd over de vroomheid van de Joden in zijn dagen: "Uw vroomheid is als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt." Het is als een huis op zand gebouwd.
Hoe verhoudt de tollenaar zich in zijn gebed tot God? Hij blijft achter in de tempel staan, híj vult niet de ruimte die gevuld wordt door de aanwezigheid van God, hij heft zijn handen niet omhoog zoals de Joden gewend waren te doen bij het gebed, hij deed zijn gebed met neergebogen hoofd en "wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel, maar hij klopte zich op de borst en zei: God, wees mij zondaar genadig." Hij deed zijn gebed op grond van wat hij is: een zondig mens. Hij is gewoon een tollenaar, maar tegenover God wil hij ook echt niemand zijn, wil hij zijn die hij werkelijk is: een zondaar, aangewezen op Gods genade. En in genade is God goed. Hij is niet alleen de Schepper van de mens, maar Hij is ook de Verlosser. Als de mens door eigen schuld in doodsnood is geraakt, dan wil Hij Zich over hem ontfermen. "God, wees mij zondaar genadig."
Dat mag dan de houding zijn van iedere mens, van iedere monnik. U weet dat Benedictus dat voorhoudt in de twaalfde trap van nederigheid, de hoogste, of beter: de laagste trap, de diepste vernedering. Dat je rondloopt zoals de tollenaar, met neergeslagen ogen, je op de borst kloppend en zeggend in je hart: "God, wees mij zondaar genadig." Heb medelijden met de arme zondaar die ik ben.