Donderdag in de derde week
  van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Jeremia 7,23-28 [I 122];
Evangelie: Lucas 11,14-23 [I 123]


Inleiding  

Vandaag gaat het niet om het 'ik' van de mensen, maar om het 'Ik' van God. 'Ik ben het heil van mijn volk', zongen we in het openingslied. Voorwaar, Ik zeg u. God is Iemand, maar Hij is niet Iemand die op zijn strepen staat en Zich voordoet alsof Hij het voor het zeggen heeft, maar Hij is Iemand die er is voor de ander, Hij is er om onze Redder te zijn. 'Ik ben het heil van mijn volk.' Ik ben er voor u en wel tot uw heil. Daarnaar mogen wij luisteren. Het eerste woord dat vandaag in de viering valt, is dat God uit de verborgenheid te voorschijn treedt als de Gezaghebbende, maar bovenal als de Hulpverlener. Naar zijn Woord mogen wij luisteren, en dat betekent dat wij ook een beroep mogen doen op zijn hulp. 'Telkens als zij in nood tot Mij roepen, zal Ik hen verhoren.' In onze nood mogen wij tot Hem roepen.
Laten wij ons onze nood bewust maken, onze nood van zonden, en van daaruit roepen om zijn barmhartigheid.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Eens dreef Jezus een duivel uit die stom was.
Zodra de duivel was uitgevaren kon de stomme weer spreken.
De mensen stonden er verbaasd van.
Maar enkelen van hen zeiden:
“Door Beëlzebub, de vorst der duivels,
drijft hij de duivels uit.”
Anderen, om Hem op de proef te stellen,
verlangden van Hem een teken uit de hemel.
Maar Hij kende hun gedachten en sprak tot hen:
“Elk rijk dat innerlijk verdeeld is,
vervalt tot een woestenij;
het ene huis valt op het andere.
Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is,
hoe kan zijn rijk dan standhouden?
Ge zegt immers, dat Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf.
Als Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf,
door wie drijven uw zonen ze dan uit?
Daarom zullen zij uw rechters zijn.
Maar als Ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf,
dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen.
Wanneer een sterke, wel bewapend, zijn huis en hof bewaakt,
is zijn bezit veilig.
Komt er echter iemand die sterker is dan hij
en die hem overwint,
dan rooft deze zijn volle uitrusting,
waarop hij zijn vertrouwen stelde,
en verdeelt wat hij bezit als buit.
Wie niet met Mij is, is tegen Mij,
en wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit.”

Homilie  

In de eerste lezing komt, bijna als een eentonige herhaling, het woord 'luisteren' voor. Luisteren, gehoor geven, gehoorzamen. "Dit alleen heb Ik hen bevolen: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn." God is een God die spreekt, Hij is niet als de goden van de heidenen, die hebben net als hun afgodsbeelden wel een mond, maar spreken doen ze niet. Met de goden van de heidenen kun je doen en laten wat je wilt, ze zijn en blijven producten van de mensen, projecties van hun eigen gedachten, van verlangens en angsten, enigszins zoals onze politieke leiders. Die laten zich onder druk zetten door de macht van het getal, door de angst hun populariteit te verliezen, angst om dingen te zeggen die het stemvolk niet aangenaam zijn, waardoor ze hun macht verliezen. Ze spreken wat het volk hun voorspreekt. Zo ongeveer moeten wij ons de heidense afgoden voorstellen. Maar de God van Israël is een sprekende God, Hij is uit de verborgenheid te voorschijn gekomen om het verdwaalde volk te leiden, richting te geven, de weg te wijzen.

"Volg de weg die Ik u wijs, dan zal het u goed gaan." Blijkbaar is zijn Woord een met liefde gesproken Woord, dat verlangt in liefde te worden opgenomen, in het hart te worden opgenomen. Als de mens zijn hart niet opent, zich niet ontvankelijk opstelt voor het Woord van God, dan krijgt hij een hart van steen. Verhard u toch niet, maak u niet strak, stel u niet stoer op, sluit u niet af. Verdedig u niet, bescherm u niet tegen de liefde van God, tegen zijn Woord van liefde. Eigenlijk geeft God maar één gebod: "Luister”, “hoor”. Zo begint de geloofsbelijdenis van Israël: Hoor Israël, de Heer, onze God, is de enige Heer. Gij zult de Heer God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht (Dt 6,4.5). En bij de gedaanteverandering van Jezus boven op de berg, sprak God over Hem: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem" (Mc 9,2; vgl. Mt 17,5).

Maar wat nu als het volk van God niet naar Hem luistert, niet gehoorzaamt aan wat Hij zegt? Dan is het niet het volk van God, maar een volk als alle andere volkeren. Als je in je persoonlijk leven niet luistert naar God, naar zijn Woord, wanneer je je hart verhardt tegen zijn Woord, dan is God niet jouw God. Het enige wat je dan nog kunt doen, is wat ouders doen als hun kind niet wil luisteren of gehoorzamen, dan rest er niets anders dan het er op te wijzen: je gehoorzaamt niet; vaststellen dat de weg die het kind gaat zijn eigen weg is, zodat het weet dat het zich onttrekt aan de leiding van de ouders. Zo moeten de gelovigen die niet willen luisteren, weten dat ze zich onttrekken aan de leiding van God.

Wanneer gelovigen niet willen luisteren naar God, gaan ze dezelfde weg als de heidenvolken, hoewel het toch niet helemaal hetzelfde is. Zíj kunnen beter weten. Het is opstandigheid van waaruit zij handelen en wel een dubbele opstandigheid, want het is een opstandigheid tegen de scheppingsorde en tegen de verlossingsorde. "Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet. Dan moet ge tegen hen zeggen: Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar de Heer, zijn God, dat zich niet laat beleren."

In het evangelie zien we hoe Jezus voor zo'n volk staat. Hij is het Woord van God, Hij spreekt op twee manieren: door de parabels en door de wonderen. En vandaag vindt wel het grootste wonder plaats, want Hij pakt niet alleen de kwaal aan waaraan iemand lijdt, de stomheid waarmee die man geslagen is, maar ook de wortel van het kwaad, de satan zelf. De man was door een slechte geest met stomheid geslagen.

Er zijn natuurlijk wel mensen die luisteren. Die zijn verwonderd en door het gedane wonder zo gelukkig, dat zij God verheerlijken. Hun hart gaat open naar God toe. Maar er zijn er ook die het woord van Jezus, dat genezingswoord waarin de duivel zelf wordt aangepakt, niet in zich willen opnemen, zij verharden zich. Tegen dit krachtige woord van Jezus verdedigen de Farizeeën en de schriftgeleerden zich met een krachtige tegenaanval. Zij doen een aanval op Jezus, op zijn geest Dat is het ergste wat je tegen een ander kunt zeggen, dat zijn geest niet deugt. Dat valt namelijk niet te bewijzen, je kunt je er niet tegen verdedigen. Wat je ook zegt, welke mooie woorden je ook spreekt, welke krachtige tekens je ook stelt, ze kunnen altijd zeggen: ja maar de geest waardoor dat is ingegeven, is verkeerd. Die geest kun je niet zien, dus kun je je er ook niet tegen verdedigen.

Toch komt er een verdediging van Jezus' kant, om daaruit een nieuwe leer, een nieuw feit vast te stellen. Als Hij "door de vorst der duivels de duivels uitdrijft”, dan zou dat betekenen dat de duivel zelf verdeeld is en dan is het einde nabij, zegt Jezus. “Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is, hoe kan zijn rijk dan standhouden?" De duivel had de touwtjes goed in handen in het rijk van de mensen en ook in het uitverkoren volk, maar God is in dat volk binnengetreden en Hij heeft Zich gevestigd, en dát betekende het einde van het rijk van de duivel.
Maar God heeft Zich in Jezus nog sterker gevestigd in het land van Israël en nu Hij wordt door de machthebbers, door de leiders van het volk niet aangenomen. Dat is het moment waarop de duivel terugkeert met zeven sterke geesten, zodat het lot van het volk nog erger is dan vóór deze machtsovername door God.

Arme mensen! Waar moet dat heen met ons, die, zo zwak als we zijn, door zo'n machtige tegenstander voortdurend worden belaagd met slimheid en met kracht. Daar zijn wij niet tegen opgewassen. Jezus zegt: Jullie geest is zwak, uit jezelf kun je niets, maar er is een sterkere Geest, de heilige Geest, die de vinger is van Gods rechterhand, die voortdurend met je mee gaat, die zelfs in je hart is uitgestort door het doopsel. En elke keer als wij naar het Woord van God luisteren, is ook zijn Geest daar, om in ons hart een ontvankelijkheid te scheppen voor dat Woord van God voor ieder van ons persoonlijk. We hoeven er maar naar te luisteren, ons hart ervoor te openen, dan zullen we merken dat daar tegelijk met dat Woord een kracht overkomt, een kracht die voor ieder van ons bestemd is, om datgene te kunnen volbrengen waar wij vandaag voor komen te staan.