Donderdag in de derde week
 van de Veertigdagentijd
         Hoogfeest van sint Jozef, bruidegom van Maria


Eerste lezing: 2 Samuël 7,4-5a.12-14a.16 [IV 15]
Tweede lezing: Romeinen 4,13.16-18.22 [IV 16]
Evangelie: Matteüs 1,16.18-21.24a [IV 91]


Inleiding    

Dit feest is nu eens alleen voor Jozef. Bij het eerste feest dat wij van hem vierden, moest hij, als de vader van het heilig Huisgezin, de aandacht delen met Maria en het Kind, en met name het Kind staat bij die gelegenheid stralend in het middelpunt. Jozef blijft, zoals gewoonlijk, een beetje op de achtergrond. Maar vandaag staat hij in het stralende middelpunt van onze devotie, mede omdat hij de beschermer is van dit Instituut (Benedictinessen van het allerheiligste Sacrament). Daar zit de volgende broodnuchtere redenering achter: God de Vader heeft zijn eigen Zoon aan hem, Jozef, toevertrouwd en de zusters van dit Instituut worden er, net zoals hij, toe geroepen de Zoon van God onderdak te verschaffen. Zij zijn dus zoveel als sint Jozef, maar dan in de tijd ná Jezus' aardse leven. Er is geen betere patroon denkbaar, en als je toch op zoek bent naar een beschermheer, dan maar het liefst de man die dat zelf geweest is.
Voor het onderdak verschaffen aan onze Gast, onze Huisbewoner, hebben we wel een hemelse beschermheer nodig, want deze Gast, deze Huisbewoner, lijkt soms ver te zoeken en dan vraagt het een hemels geduld en vooral een hemels geloof, een geloof in Gods beschermende aanwezigheid, om Hem terug te vinden. Hij is natuurlijk niet afwezig, sacramenteel is Hij er altijd, maar soms is Hij voor je gevoel weg en moet je Hem opnieuw zoeken en terugvinden van bij de Vader. Dáár moet je Hem zoeken, niet bij familieleden en bekenden, zoals Jozef en Maria deden.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat we nog zo tekort schieten in het vertrouwen waarin Jozef zo groot was, en dat we tekort geschoten zijn in geduld wanneer het erop aankwam Jezus opnieuw te zoeken.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Zijn ouders reisden iedere jaar, bij gelegenheid van het paasfeest,
naar Jeruzalem.
En overeenkomstig het gebruik bij dit feest
gingen zij opnieuw daarheen
toen Hij twaalf geworden was.
Maar na afloop van die dagen bleef het kind Jezus,
terwijl zij terugkeerden, in Jeruzalem achter,
zonder dat zijn ouders het wisten.
In de mening dat Hij Zich bij de karavaan bevond,
gingen zij een dagreis ver
en zochten Hem toen onder familieleden en bekenden.
Omdat zij Hem niet vonden,
keerden zij al zoekend naar Jeruzalem terug.
Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel,
waar Hij te midden van de leraren zat,
naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde.
Allen die Hem hoorden,
waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden.
Toen zij Hem daar opmerkten,
stonden zij verslagen.
Zijn moeder zei tot Hem:
“Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan?
Denk toch eens
met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.”
Maar Hij antwoordde:
“Wat hebt ge toch naar Mij gezocht?
Wist ge dan niet,
dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”
Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde.
Hij ging met hen mee naar Nazaret
en was aan hen onderdanig.
Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.
En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid
bij God en de mensen.  

Homilie  

In het evangelie hebben we gehoord, hoe Maria tot Jezus zegt: “Denk toch eens met wat een pijn Uw vader en ik naar U hebben gezocht!" Jozef is Jezus' vader. God de Vader heeft hem aangesteld om op aarde in zijn plaats vader te zijn; Hij heeft zijn eigen Zoon aan Jozef toevertrouwd. Hoe doet Jozef dat? En hoe kunnen ouders, die door God over hun kinderen zijn aangesteld, in Gods naam die taak behartigen?

Hoe oefent de hemelse Vader zijn vaderschap uit? Allereerst door te zijn en er te zijn, aanwezig te zijn, bij zijn volk te zijn. Zoals een vader en een moeder in een gezin: aan de grondslag van alles wat zij doen, staat hun loutere aanwezigheid. Zo was het van meet af aan bij God: Hij is er. Dat is toch ook zijn naam: 'Ik ben'. Bij de roeping van Mozes door God zegt Mozes tegen Hem: "Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: de  God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam?, wat moet ik dan antwoorden? Toen sprak God tot Mozes: “Ik ben die is. Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij is zendt mij tot u.” Bovendien zei God tot Mozes: “Jahwe de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn Naam voor altijd" (Ex 3,13-16).
God de Vader is bij zijn volk de grote Aanwezige. Hij is persoonlijk aanwezig. Alleen al zijn aanwezigheid wordt ervaren als genade. Dat is ook zo in de relatie van ouders met hun kinderen.

Maar moeders, en ook vaders, kunnen toch afwezig zijn terwijl ze fysiek aanwezig zijn. Dat is als ze alleen maar met zichzelf bezig zijn, als ze er alleen maar voor zichzelf zijn, op zichzelf betrokken zijn, als ze zo nodig zichzelf moeten bevestigen, hun gezag oefenen, op hun strepen staan, of opgaan in hun zorgen, en niet luisteren naar hun kinderen.
God daarentegen is altijd aanwezig, Hij is aanwezig op een zelveloze manier, onzelfzuchtig, Hij is er helemaal voor zijn volk. Dat is zijn Naam. Dat is zijn wezen. Zijn wezen is betrokkenheid op zijn volk: "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte gehoord, hun hulpgeroep is tot Mij opgestegen. Ik ken zijn lijden" (Ex 3,7). Vrij vertaald zegt Hij: 'Het volk gaat Mij ter harte. Ik ben er kapot van hen in hun ellende te zien.'

God gaat daar dan ook iets aan doen: "Ik daal af om mijn volk te bevrijden" (Ex 3,8). Maar het eerste waar wij op moeten letten, is niet het dóen, maar het zíjn, het in liefde betrokken zijn: 'Het doet Mij wat. Het raakt Mij.' God is betrokken, Hij is één en al betrokkenheid. Hij ís liefde, een geëngageerde Aanwezigheid, een warme Presentie. Zoals Hij hier bij ons in de eucharistische aanbidding aanwezig is. Ook hier doet Hij niets, Hij beweegt niet, Hij spreekt niet, Hij kijkt niet. Hij is levenloos als een ding, als een lijk, de kleur is wit als van een dood lichaam. Het leven moeten wij niet bij Hém zoeken, maar bij óns: Hij heeft óns zijn leven gegeven. Zijn leven is leven voor óns, tot de dood toe.

Zo'n vader was sint Jozef. Hij oefende zijn vaderschap uit op de wijze van God de Vader, door er allereerst te zijn. Hij wordt op zijn eigen feest dan ook voorgesteld als de beschermer van de heilige Familie, die zijn mantel beschermend heen slaat om moeder en Kind.
Dat bij de ander zijn, is wat God doet bij de mensen en wat de mensen doen bij God. Dat is het antwoord van de mensen op het bij-ons-zijn van God. Het is iets in de zijnsorde, meer dan in de orde van het doen, het handelen. Wij zijn  kinderen van God, wij verblijven in het huis van de hemelse Vader. Daar genieten wij van zijn aanwezigheid. Dat is de gelukzalige aanschouwing.

Jozef was ook aanwezig, hij was de grote aanwezige in het gezin. In onze tijd zijn vaders  veelal afwezig, maar in Jozefs tijd werd het beroep veelal thuis beoefend. Hij was er dus altijd, ook wanneer hij werkte.
In dat bij elkaar zijn, dat er voor elkaar zijn, is Jozef tevens de volmaakte leerling. Want leerling zijn van Jezus is bij Jezus zijn; elke keer als Jezus iets gaat zeggen, roept Hij zijn leerlingen bij Zich, en deze kwamen dan bij Hem. Dat deed ook de menigte: "Grote volksmenigten sloten zich bij Jezus aan. Toen Jezus deze menigte zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had neergezet kwamen zijn leerlingen bij Hem" (Mt 4,25-5,1). Trouwens, voor dat bij Hem-zijn werden ze zelfs aangesteld: "Jezus ging de berg op, riep zijn leerlingen bij Zich en Hij stelde er twaalf aan", niet allereerst om te prediken, duivels uit te drijven, genezingen te verrichten, nee, allereerst om bij Hem te zijn: "om Hem te vergezellen" (Mc 3,13-15).

Dat geldt net zo goed voor iemand, wanneer hij het heilig Sacrament aanbidt, de eucharistische Jezus: Hij is dan bij Jezus in zijn bij-ons-zijn, helemaal, tot de dood toe. Je gebed is niet zozeer een doen, een spreken, nee, het is eerst een zijn, een in vertrouwen, liefde en aanbidding bij God zijn, zoals Hij in zijn zorg en betrokkenheid bij zijn volk is. Van daaruit kunnen we dan ook handelen, doen en spreken, maar altijd vanuit de vereniging in-het-zijn met onze eucharistische Heer.

Soms echter is Hij weg, is Hij zoek. De gemakkelijke, zich opdringende aanwezigheid in de sfeer van een biddende menigte, in de luister van een feestelijke aankleding van het altaar, maakt plaats voor een gewone dag, niemand in de kapel dan alleen de Ene, niemand in de buitenkapel.
En ook in ons eigen leven, in ons eigen hart, kan Hij soms ver weg zijn. Dan zoeken wij Hem bij familieleden en bekenden, bij wat bekend is. Maar dan moeten we omkeren, terugkeren naar waar Hij bij zijn Vader is: in de tempel. Dáár vinden wij Jezus altijd terug, bij de Vader, bij de onvoorstelbare, ondoorgrondelijke, onbegrijpelijke God.