Sterfdag van de heilige Benedictus
Eerste lezing: Genesis 12,1-4a [IV 276]; of Filemon 4,4-9 [niet in het lectionarium]
Evangelie: Johannes 17,20-26 [IV 333]
Inleiding
Deze Man Gods, Benedictus, wiens sterfdag wij vandaag vieren, heeft de roem van de wereld niets waard geacht en haar de rug toegekeerd. Hij bezat de Geest van God en die Geest gaf hij aan zijn volgelingen, aan het nieuwe instituut dat pas twaalfhonderd jaar later na zijn dood ten leven gewekt zou worden. Zijn sterven aan zichzelf en de voltooiing daarvan in de dood is vruchtbaar geworden voor zijn instituut, voor zijn volgelingen. Hij leeft voort in zijn werk en in zijn instituut. In de regel van dat instituut staat dat men moet afsterven aan zichzelf om zo tot een voortdurende lentebeleving te komen.
Maar voor u, zusters (van priorij Nazaret), is de sterfdag van Benedictus van een bijzondere betekenis geworden, omdat uw Stichteres uit zijn sterven het eigen instituut heeft afgelezen. Want Gregorius de Grote verhaalt ons in zijn levensbeschrijving over Benedictus: 'Zes dagen voor zijn dood liet hij zijn graf gereed maken en weldra overviel hem een brandende koorts, zo hevig dat deze zijn krachten uitputte. Het was zijn eerste en laatste ziekte. Met de dag werd de kwaal erger totdat hij zich de zesde dag door zijn leerlingen naar de kerk liet dragen, waar hij het Lichaam en Bloed des Heren ontving om zich voor de dood te sterken. En terwijl zijn leerlingen zijn krachteloze ledenmaten ondersteunden, blies hij onder de woorden van het Onze Vader zijn laatste adem uit.'
En nu schrijft Moeder Mechtildis: 'Oordeelt zelf, zusters, of het niet door een goddelijk en eeuwig raadsbesluit is dat wij van religieuzen van Benedictus, die wij waren, Sacramentszusters zijn geworden, en of wij deze genade niet aan onze heilige wetgever te danken hebben. Hij heeft ze ongetwijfeld voor ons verdiend in het uur van zijn dood, toen hij de laatste ogenblikken van zijn leven in het allerheiligste Sacrament begroef. Ziet u niet dat sint Benedictus staande sterft, om ons te doen verstaan dat hij met een inspanning van liefde, het heilig Instituut van onze professie in het leven roept. Hij ontving het Instituut van onze professie, omdat daaruit bijna twaalfhonderd jaar later dit opnieuw zou worden voortgebracht.'
Zijn wij, mensen van de Kerk, niet allemaal op soortgelijke wijze door Jezus voortgebracht? Is de Kerk niet geboren uit zijn liefdesdood aan het kruis? En gaan wij niet in iedere eucharistie terug naar die oorsprong, terug naar de bron van ons leven: de liefdesdood van onze Heer Jezus Christus aan het kruis? Wij zijn in liefde verwekt, de allergrootste liefde die er maar te vinden is, zijn liefde tot de dood.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Niet voor hen alleen bid Ik,
maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven,
opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U:
dat ook zij in Ons mogen zijn,
opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij geschonken hebt,
opdat zij één zijn zoals Wij één zijn:Ik in hen en Gij in Mij,
opdat zij volmaakt één zijn en de wereld zal erkennen,
dat Gij Mij hebt gezonden
en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad.
Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn
waar Ik ben,
opdat zij mijn eerlijkheid mogen aanschouwen,
die Gij Mij gegeven hebt,
daar Gij Mij lief hebt gehad voor de grondvesting van de wereld.
Rechtvaardige Vader,
al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend,
en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt.
Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen,
opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn
en Ik in hen.
Homilie
Op de sterfdag van Benedictus geeft het evangelie ons een gedeelte uit de afscheidsrede van Jezus. Eigenlijk is het meer een afscheidsgebed. Wat voor sommige mensen het sterven moeilijk maakt, is dat ze dierbaren achter moeten laten, een gezin, man, vrouw, kinderen, die op hun zorgen waren aangewezen. Ook zijn er mensen die niet zo opzien tegen het dood zíjn, maar wel tegen het doodgáán, en voor nog weer anderen is het een niet te verwerken gedachte, dat zij er eens niet meer zullen zijn. Sommigen hebben niet zoveel moeite met het doodgaan wat hun zelf betreft, maar ze houden hun hart vast voor hen die achterblijven en die zonder degene die sterft, verder moeten. Neem nu een vader of een moeder, die maken zich dikwijls zorgen of het gezin wel bij elkaar zal blijven, of het gezin niet uit elkaar zal vallen, dat ze misschien ruzie krijgen over de erfenis in plaats van de onderlinge eenheid als de eigenlijke erfenis te beschouwen.
Het is misschien een vreemde vergelijking, maar kunt u zich Jezus voorstellen als Iemand met een gezin? Toch gaat Jezus de dood in met zorg over de leerlingen die Hij zorgvuldig bijeen heeft gebracht. Door eendracht wordt een huis gebouwd, ook het huis van de Kerk, en door tweedracht stort het in. Misschien vraagt u zich af: die leerlingen waren toch geen kinderen meer? Toch wel, in het geloof waren ze dat nog. Lichamelijk is een mens gauw volwassen, maar psychisch kan het langzamer gaan. En de echte liefde en trouw, het geloof, komen vaak pas veel later, meestal als laatste.
De leerlingen doen zoals veel gelovigen doen, ze laten Jezus een tijdje in de steek, precies in de tijd dat het moeilijk is. Het lijken net kinderen. De leraar is nog niet uit de klas, uit het gezicht verdwenen, of hij lijkt al niet meer voor hen te bestaan. Als de soldaten komen met wapens, als hun geloof wordt aangevochten, zijn de leerlingen weg. Petrus wil Hem zelfs niet meer kennen. Herkent u zich? We blijven nog heel lang kinderen in het geloof.
Op dat kritieke ogenblik waarop Jezus de eenheid bedreigd ziet, staat Hij eigenlijk in zijn manier van reageren heel dicht bij ons en wij bij Hem. Want Hij weet niets beters te doen dan waar ook wij op aangewezen zijn, namelijk: zijn ogen op te slaan ten hemel en te zeggen: "Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij" (Joh 17,11). Jezus geeft het uit handen en dat zouden wij ook moeten doen, of we nu willen of niet. Wij zijn God de Vader niet en Jezus is dat ook niet. Wij staan op zijn plaats, op de plaats van de Zoon, laten wij dan doen zoals Hij, en niet doen alsof wij de Vader zijn. God moet hen - de leerlingen - bewaren, God moet ons bewaren. "Bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn, opdat zij volmaakt één zijn, zoals Wij één zijn."
Was dat ook niet wat Benedictus deed om de eenheid te garanderen, toen hij aan het eind van zijn leven voorzag dat hij zijn leerlingen zou moeten loslaten, dat zij zijn aanwezigheid zouden moeten ontberen, dat zij het zonder hem moeten stellen? Op dat moment spreekt hij hen niet bezwerend toe, gebruikt dat moment niet als een allerlaatste kans om hen te bezweren de eenheid te bewaren, probeert geen middelen met overtuigingskracht in te brengen. Nee, hij keert hen en de wereld de rug toe. Hij laat zich naar de bidplaats brengen, en evenals Jezus geeft hij het aan God uit handen, in plaats van op zijn eigen kracht te varen.
En zie, u bent toch voortgekomen uit zijn liefdesdaad, uit zijn trouw aan God, uit zijn afsterven aan zichzelf. Wij zijn hier allemaal bijeen in Gods Naam; Gods Naam is de bindende kracht. Wij zijn kinderen, kinderen van onze ouders, kinderen van onze tijd, maar Jezus heeft ons opnieuw gemaakt tot kinderen van God. Laat ons dan bidden dat wij worden bewaard in zijn Naam, in de Drie-eenheid, waarbij ónze eenheid en wijzelf verloren mogen gaan. Mogen wij Jezus' vreugde, de vreugde waarmee Hij om eenheid heeft gebeden, ten volle in ons bezitten.