Heilige Francisca Romana
Eerste lezing: Daniël 3,25.34-43
Evangelie: Matteüs 18,21-35
Inleiding
In het openingslied hebben wij gezongen over verlossing, over bevrijding. We zitten kennelijk gevangen. We zijn gevangenen van het kwaad en als wij niet worden vrijgelaten, als de gevangenis niet wordt opengezet, blijven wij in ons kwaad gevangen. Ook als we ons ons kwaad bewust zijn, maar er niet uit willen komen, het niet willen toegeven, het niet willen loslaten, kunnen wij niet bevrijd worden, dan kunnen we niet vergeven worden. Om bevrijd en verlost te kunnen worden, hebben wij alleen het verlangen naar bevrijding nodig. Meer niet! Maar ook niet minder!
Belijden wij dan onze schuld, ons tekort aan dat verlangen, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak:
Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet,
hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven?
Tot zevenmaal toe?
Jezus antwoordde hem:
Nee, zeg Ik u,
niet tot zevenmaal toe
maar zeventigmaal zevenmaal.
Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning
die rekening en verantwoording wilde vragen
aan zijn dienaren.
Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem
die tienduizend talenten schuldig was.
Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het
bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat
om zo de schuld te vereffenen.
De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte:
Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.
De heer kreeg medelijden met die dienaar,
liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt.
Maar toen die dienaar buiten kwam,
trof hij daar een andere dienaar
die hem honderd denariën schuldig was;
hij greep hem bij de keel en zei:
Betaal wat je schuldig bent.
De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte:
Heb geduld met mij en ik zal u betalen.
Maar hij weigerde, en liet hem zelfs in de gevangenis zetten
totdat hij zijn schuld betaald zou hebben.
Toen nu de overige dienaars zagen wat er gebeurd was,
waren zij diep verontwaardigd
en gingen hun heer alles vertellen.
Daarop liet de heer hem roepen en sprak:
Jij lelijke knecht,
heel die schuld heb ik je kwijtgescholden
omdat je mij erom gesmeekt hebt.
Had jij dan ook
geen medelijden moeten hebben met je mededienaar
zoals ik met jou medelijden heb gehad?
En in toorn ontstoken
leverde zijn heer hem over aan de beulen,
totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen
die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.
Homilie
Een parabel. Jezus probeert met een parabel de goddelijke werkelijkheid van het Rijk Gods, van het Rijk der hemelen, zoals het hier heet, te vertalen in termen van menselijke werkelijkheid. Menselijke verhoudingen, menselijke gedragingen, worden dan dragers van God-menselijke verhoudingen, van hemelse verhoudingen. Een parabel heeft altijd iets menselijks, iets natuurlijks, iets van deze wereld, én iets bovenmenselijks.
Bijvoorbeeld: de zaaier bezaait zijn land. Hij ondervindt daarbij de gewone hindernissen: rotsige grond, distels en doornen, vogels, hitte. En dan, bij de oogst, wanneer het zaad vrucht gaat dragen, schiet Jezus met zijn vergelijking ineens ver boven de gewone aardse werkelijkheid uit. Een vruchtbaarheid niet van tien, twaalf, vijftien, of twintigvoudig, dat zou het gewone zijn, maar dertig-, zestig-, honderdvoudig; dat is niet meer van deze wereld. (Mt 13,3-9; vgl. Mc 4,3-9; Lc 8,5-8)
Of de vreugde van God om een zondaar die zich bekeert. Die wordt vergeleken met een vrouw die een drachme kwijt is, dit gaat zoeken, en tenslotte vindt en dan haar buren en vriendinnen uitnodigt om feest te vieren, waarbij ze meer geld kwijt is dan het geld dat ze had verloren. Of de herder die uit zijn kudde van honderd schapen één schaap mist. Wat doet hij? Hij gaat zoeken. Dat is normaal. Maar hij laat de negenennegentig andere in de woestijn achter met het risico dat hij, als hij het ene schaap heeft teruggevonden, die negenennegentig kwijt is. Dan is hij nog veel verder van huis (Lc 15,3-11). Hier voert Jezus ons met zijn parabel naar de geheimvolle werkelijkheid van zijn dwaze, verkwistende liefde.
Zoiets is er ook aan de hand bij deze parabel. Het begint al met de vraag van Petrus: "Hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven? Tot zevenmaal toe?" Geen gewoon getal van vijf, zes, acht, keer, zeg het maar hoeveel keer. Nee, het getal zeven is het getal van de volmaaktheid. Het is een codegetal, het betekent zoveel als altijd. Is het werkelijk zo dat wij van U altijd moeten vergeven, dat je daaraan geen enkele grens mag stellen? Het antwoord van Jezus is te gek voor woorden. "Niet tot zevenmaal toe - niet altijd - maar zeventig maal zevenmaal." Dat mooie getal zeven, dat getal van de volmaaktheid, vermenigvuldig dat nu eens met tien en dat nog eens met zeven, dat is oneindig. Oneindig maal oneindig. Altijd maar vergeven? Ja, altijd! Altijd maal altijd. Altijd in het kwadraat. Dan zijn we in de goddelijke werkelijkheid: eindeloos geduldige liefde. Zo heet het al in het Oude Verbond: "Uw liefde duurt tot in eeuwigheid" (Jer 31,3). Uw trouw gaat altijd verder dan onze trouweloosheid, eindeloos verder.
En nu wordt ons voorgehouden dat wij zo ook moeten doen ten aanzien van de schuld die onze medemensen bij ons oplopen. Hoe zou je daartoe te motiveren zijn? Hoe kun je je menselijke gevoelens zover overstijgen? Dat is ondenkbaar, dat is ondoenlijk, onmogelijk. Daarom zegt Jezus: je kunt het opbrengen als je weet hoe het staat met je verhouding tot God. Ik zal je een vergelijking geven. "Daarom gelijkt het Rijk der hemelen
" De dienaar is aan zijn koning een som van tienduizend talenten schuldig, dat is een astronomisch bedrag. Dat gaat alle menselijke maten verre te boven. Wij zijn nogal gewoon met grote getallen, maar tienduizend was het grootste getal dat zij toen kenden. Wij kennen een miljoen, een miljard. Dat was toen tienduizend talenten. Tienduizend maal zesduizend denariën en dat maal een dagloon, dan kom je inderdaad tot zo'n bedrag. Zoiets als de staatsschuld van een heel land. Dat is hier de schuld van een enkele dienaar. Waar haalt die man zo'n enorme schuld vandaan? Wat moet hij wel niet misdaan hebben? Waar halen wíj zo'n schuld vandaan? Het is toch een parabel voor óns. Het is toch een parabel om Petrus, de woordvoerder van de Kerk, de mensen van de Kerk te motiveren, te doen wat Jezus vraagt: altijd te vergeven. Waar halen wij zo'n schuld vandaan?
Daarvoor moet je niet kijken naar wat je misdoet, maar tegen wíe je misdoet. Iemand geeft een ander een klap. Een derde is daarvan getuige. Er volgt straf. Maar degene die de klap werd toegebracht, is de koning, en niet een koning van onze dagen, maar een koning van die dagen. Dat betekende dus de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht in één persoon verenigd. Absolute macht. Zo'n koning schade toebrengen, noemen ze dan majesteitschennis. Nu is die koning aan wie wij schade toebrengen, bij wie wij in de schuld staan, niet een koning van een aards koninkrijk, maar de Koning der koningen, de Koning aan wie alle koningen verantwoording moeten afleggen. Het is niet de koning van een of ander land en ook niet de koning van mijn eigen land, maar het is de Koning van heel de schepping, waarvan ik, schepsel, afhankelijk ben. Hij is ook de Koning van mijn hart, van wie ik tot de laatste vezels van mijn ziel afhankelijk ben. Dat betekent zo'n grote schuld, dat iemand erdoor wordt geruïneerd.
Dat is nu precies wat er gebeurt wanneer iemand tegen God misdoet. Wanneer iemand zondigt, ruïneert hij zichzelf. Hij snijdt de verbinding met de bron van het leven door, met de bron van zijn eigen leven. De allerkleinste zonde is een opstand tegen God, de bron van je leven. En je valt in het niets. Toen God dat zag gebeuren, hield Hij zijn hand onder zijn schepsel, zodat hij niet viel, maar hersteld kon worden in zijn oorspronkelijke waardigheid. Maar als iemand dat kwaad, die zonde, niet bekent, niet toegeeft, blijft hij in de greep van het kwaad en dat wordt weergegeven door dat allerlaatste tafereel. Die zelfde dienaar wordt opnieuw voor zijn heer gebracht, en nu is er geen genade meer: "in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben." Dat is ook een beeld, dat is het beeld van de hel. De verharde zondaar is en blijft in de greep van het kwaad, waaruit hij niet verlost wil worden.
Als je werkelijk weet waaruit je gered bent, hoe gemakkelijk zal het je dan vallen om een ander, die jou nadeel berokkend heeft, beledigd of gekwetst, te vergeven. Hoe gemakkelijk zul je dan dat kwaad loslaten, losgelaten, begenadigd als je zelf bent.