Vrijdag in de derde week
van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Hosea 14,2-10  
Evangelie: Marcus 12,28b-34


Inleiding  

In het openingslied zongen we over het mateloos erbarmen dat God heeft voor ieder van ons. Voor ieder van ons heeft Hij een mateloos erbarmen vanwege onze mateloze zonden, vanwege míjn mateloze zonden. Moge Hij altijd doorgaan met zijn mateloos erbarmen voor ons bij ons altijd zondigen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe
en legde Hem de vraag voor:
“Wat is het allereerste gebod?”
Jezus antwoordde:
“Het eerste is:
Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer.
Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart,
geheel uw ziel, geheel uw verstand
en geheel uw kracht.
Het tweede is dit:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.”
Toen zei de schriftgeleerde tot Hem:
“Juist, Meester, terecht hebt Gij gezegd:
Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem;
en Hem beminnen met heel zijn hart,
heel zijn verstand en heel zijn kracht
en de naaste beminnen als zichzelf,
gaat boven alle brand- en slachtoffers.”
Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem:
“Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.”
En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Homilie      

“Ge zult de Heer, uw God beminnen,"
is Jezus' antwoord op de vraag van de schriftgeleerde naar het allereerste gebod. God beminnen? Kun je God beminnen? Kun je van God houden? Kun je van God houden zoals je van een mens houdt? Iemand die je niet ziet, die je niet voelt, die je niet kunt tegenkomen? Hoe moeten wij ons dat voorstellen? Mensen kunnen bang zijn voor God, slaafse vrees. Vrees hebben voor straf, voor een straffende God. Mensen kunnen ook onverschillig zijn voor God. God is zo ver weg, die doet je toch niets. Maar beminnen? Als je naar je hart luistert, komt er dan wel eens spontaan een opwelling van liefde voor God in je op? Wordt je hart wel eens zomaar warm van genegenheid voor Hem? Zoals een jonge moeder eens gezegd heeft: 'Ik kan zo gelukkig zijn met God. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat er gelovigen zijn die nooit aan Hem denken. Ik zou het wel van de daken willen roepen.'

Liefde voor God. Niet voor een god waar we in de eerste lezing over horen getuigen: "Assur kan ons niet redden. Wij zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen we nooit meer: Gij zijt onze god.” Maar liefde voor een God die mijn God is. Wat Ruth tot haar schoonmoeder zegt: “Uw God, de God van uw zonen, is mijn God" (Rt 1,16). Is God dan je eigen God? Maar zo wordt een mens niet geboren. God is eerst de God van je vader en moeder. Je gaat eigenlijk zonder dat je er erg in hebt, God een plaats geven in je leven, of liever gezegd, je ouders geven God een plaats in je leven, door het kruis, het Mariabeeld, het heilig Hartbeeld een plaats te geven in de huiskamer. Dat is nog niet jouw God, dat is dan onze God, de God van ons gezin. Tot op een zeker ogenblik God iets voor jezelf gaat betekenen. Dat gaat geleidelijk, zoals dat ook met de andere waarden van het leven gaat. Normen en waarden neem je eerst zomaar aan, ook wat je op school leert of wat anderen je zeggen. Maar op een gegeven ogenblik ga je je afvragen: wat heb ík eigenlijk met God? Dan komt Jezus en die zegt vandaag in het evangelie wat je met God móet hebben. Dat is een ander uiterste. "Gij zúlt de Heer, uw God, beminnen." Dat is een bevel. Liefde is een bevel. Liefde tot God is niet wat je spontaan voelt, want dat kan zo weer voorbij zijn. Daar kun je je leven niet op bouwen. Liefde is een opdracht voor je leven. Het is meegegeven met je genen, met de structuren van je bestaan, van je ziel, de krachtlijnen van je hart. Daarop moet je je actief richten.

"Gij zult.” Dat moeten is ook je heil, het is ook je geluk, want zo ben je geschapen. “Assur kan ons niet redden. We zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen we nooit meer: gij zijt onze God."

Je bent geschapen met een drang naar God toe. Vandaar dat Jezus zegt: "gij zult," want dat is in overeenstemming met die drang. Persoonlijk ermee overeenstemmen, van binnenuit, met je wil, met je hart. "Gij zult de Heer, uw God beminnen met geheel uw hart." Er mag in je hart niets anders zijn dan God. Met heel je ziel Hem beminnen. Heel je bezieling moet daar vandaan komen. Je moet geen bijbedoelingen hebben. "En met geheel uw verstand," zegt Jezus, zodat je aan niets kunt denken zonder aan God te denken, zonder aan Jezus te denken. Dat je alles in het perspectief van God ziet. Dat God het licht van ons leven is. Het licht waarin wij het Licht zien. Een mens begint met niets, maar Jezus zegt waar je moet eindigen.

Nu de vraag van het evangelie. Er zijn nog meer geboden, want er werd gevraagd naar het voornaamste gebod. "Wat is nu het voornaamste gebod in de wet?" Daar heeft Jezus een antwoord op gegeven. De vraag is nu: wat doe je met de rest? Hangt die er maar zo'n beetje bij? Wat doe je met de mensen van wie je houdt? Wat te doen met het tweede gebod? Het is gelijkwaardig aan het eerste, staat er elders: "Gij zult uw naaste beminnen als uzelf." Hoort u? Er wordt over uw naaste gesproken. Zoals God op een gegeven ogenblik uw God wordt, met wie u iets persoonlijks hebt, omdat u merkt dat Hij iets persoonlijks met u heeft, dat er een relatie is, een betrekking van liefde, zo zal dat ook zijn als je in de liefde tot God de naaste liefhebt. Niet vanuit je gevoel, vanuit je gevoelens van sympathie, gelijkwaardigheid, gelijkaardigheid, overeenstemming, maar met datzelfde oerverlangen, diezelfde oerdrang, die in je geschapen is en waarmee je voor God voelt. Dat diezelfde drang je naar de mensen brengt, dat je in diezelfde liefde je medemens nabij voelt, in hem je naaste voelt. Dat je voor hem of haar iets persoonlijks kunt voelen. Dat is namelijk liefde. Je kunt dat voor iedere naaste voelen, omdat het de liefde van God is die je naar de ander drijft. En God houdt van elke mens zo persoonlijk als Hij van mij houdt.

Het is niet zo dat je niet meer van de ander mag houden als je eerste liefde naar God gaat, dat er voor de ander niets overblijft, maar het is de bedoeling dat je je liefde tot de mensen houdt binnen de liefde voor God. Niet erbuiten. Houd van de schepselen omdat je van de Schepper houdt. Zie je naaste in het licht van God. Zo dichtbij, in je eigen hart.