Maandag in de derde week
       van de Advent
Eerste lezing: Numeri 24,2-7.15-17a
Evangelie: Matteüs 21,23-27


Inleiding        

Wat is er eerst: onze vriendelijkheid of de nabijheid van de Heer? Ze roepen elkaar op. Als u weet dat de Heer nabij is, dan is er een Vriend nabij, Iemand die u vriendelijk gezind is, en dan kunt u ook vriendelijk zijn voor anderen. Maar het is ook zo: als je vriendelijk kunt zijn terwijl de ander onvriendelijk is tegen jou, moet je dat ergens vandaan hebben, dat kun je niet uit jezelf. Waar anders zou je het vandaan kunnen halen dan van de nabijheid van de Heer, die niet alleen nabij is in de tijd, Hij komt met Kerstmis, maar die altijd nabij is in je hart. Hij bij u, u ook bij Hem? Dat is de inzet van de eucharistie: Hij wil komen. Wij ook? Staan wij ervoor open?
Belijden wij dan eerst onze schuld, onze afstandelijkheid, ons zo in de plooi blijven, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Op zekere dag ging Jezus naar de tempel
en toen Hij daar aan het onderrichten was,
kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk
Hem de vraag stellen:
“Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen?
En wie heeft U die bevoegdheid dan gegeven?”
Jezus antwoordde hun:
“Ik zal u ook een vraag stellen,
en als gij Mij daar antwoord op geeft,
zal Ik u op mijn beurt zeggen
krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe.
Het doopsel van Johannes, waar was dat vandaan?
Van de hemel of van de mensen?”
Zij beraadslaagden onder elkaar:
Als wij zeggen: van de hemel,
dan zal Hij tegen ons zeggen:
Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken?
Als wij zeggen: van de mensen,
dan hebben wij het volk te vrezen,
want iedereen houdt Johannes voor een profeet.
Ze gaven Jezus dus ten antwoord:
“Wij weten het niet.”
Toen zei Hij op zijn beurt tot hen:
“Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.”

Homilie      

“Welke bevoegdheid hebt Gij…"
Zoiets mag je vragen wanneer iemand iets doet wat niet iedereen zomaar doen mag. Als je een vreemde man in je huis tegenkomt, mag je vragen: Mijnheer, wat doet u hier? Op grond van welke bevoegdheid bent u hier? Verboden voor onbevoegden, wat hebt u hier te zoeken? Van wie hebt u de volmacht? Die vraag stelden ze ook aan Jezus.

Wat was de aanleiding voor deze vraag? De tempelreiniging. Jezus dreef iedereen de tempel uit, de kopers en verkopers, de wisselaars. Wie zegt eigenlijk dat Hij dat mag doen? Dat is toch een normale vraag. Het is in feite een vraag naar een hogere volmacht. Jezus beantwoordt deze vraag dan ook met een tegenvraag: "Het doopsel van Johannes, waar was dat vandaan? Van de hemel of van de mensen?” Kijk daar gaat het om. De hogepriesters en de oudsten denken bij de vraag: “Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen?" natuurlijk aan mensen, aan één of andere menselijke instantie van wie Jezus deze bevoegdheid zou hebben gekregen. Maar die menselijke, hogere instantie van wie Jezus dat zou mogen doen, is er niet.
Jezus zegt: In die richting moet je het niet zoeken. Daarom stelt Hij een tegenvraag: Dat doopsel van Johannes, was dat nu van de hemel of van de aarde? Was het nu van de mensen of was het van God? Als ze nu kleur zouden bekennen en zeggen: Dat is van God, dan zou de weg vrijgemaakt zijn, dan zouden zij vrij geworden zijn om te erkennen dat ook Degene van wie Johannes de voorloper was, van de hemel is. Het doopsel van Johannes de Doper is van de hemel; Johannes, de voorloper, is eveneens van de hemel, hij is een hemelse voorloper van een hemelse Godmens. Met zijn Godmenselijke woorden en gebaren is Jezus voor ons een hemelmens.

Ook wijzelf zijn hemelmensen, want ook wij hebben allemaal zo'n bewijs van onze hemelse afkomst. Als wij de sacramenten willen ontvangen, of in het klooster willen intreden, wat moeten wij dan tonen? Ons doopbewijs. Dat is onze bevoegdheid, het bewijs van onze bevoegdheid om andere sacramenten te mogen ontvangen, om typisch christelijke handelingen te mogen voltrekken, in te treden in het klooster, maar ook alle andere dingen. Het betekent eigenlijk dat de mensen steeds aan ons moeten kunnen zien: wat hij doet, zoals hij reageert, zoals hij spreekt dat kan niet van de mensen komen. Dit geldt niet alleen voor bepaalde sacramentele, liturgische of juridische handelingen, nee, het moet heel ons leven omvatten. Heel ons leven moet een uitdrukking zijn van die oorspronkelijke bevoegdheid, van dat kenmerk, dat waarmerk van de heilige Geest, van de hemel.

Zoals wij ook nu, in de donkere dagen voor Kerstmis, een andere, diepere invulling hebben van deze tijd. We vragen ons niet af: wanneer wordt het weer licht? Of: wanneer wordt het weer gezellig? Maar: wanneer komt Hij? Wanneer voegt Hij Zich weer bij ons gezelschap? En daarvan is de eucharistie een voorgave. Elke dag mogen wij dit vierend in ons midden meemaken. Hij is bij ons, Hij komt. 'Benedictus qui venit in nomine Domini.' 'Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer.'