Woensdag in de derde week
       van de Advent
Eerste lezing: Jesaja 45,6b-8.18.21b-25
Evangelie: Lucas 7,18b-23


Inleiding  

'Hemelen, dauwt uit den hoge.' God komt tot ons, zacht, onzichtbaar neerdalend, doordringend als dauw, niet als een oordeel, een kletterende regen. "De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op het huis, zodat het volledig verwoest werd" (Mt 7,27). Op twee manieren kan God komen: als een oordeel, verwoestend, met geweld; en geweldloos, barmhartig, als dauw. Met zachtheid ons geweld tegemoet tredend, ofwel met hardheid, met strengheid en met oordeel onze verharding tegemoet tredend. Wij leven nu in de tijd van de dauw, van de zachte hand van de Heer.
Belijden wij dan eerst onze schuld dat wij ons ergeren aan zijn zachte aanpak, zoals Jezus ook zegt: "Zalig hij die geen aanstoot neemt aan Mij." Dat wij ons ergeren aan zijn barmhartige handelwijze, dat wij ons kwaad maken over het kwaad, ons groot maken in plaats van nederig en zacht de kwalen van de ander tegemoet treden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd ontbood Johannes een tweetal van zijn leerlingen
en stuurde ze naar de Heer om te vragen:
“Zijt Gij de Komende,
of hebben wij een ander te verwachten?”
Bij Jezus gekomen zeiden de mannen tegen Hem:
“Johannes de Doper heeft ons naar U gestuurd om te vragen:
zijt Gij de Komende,
of hebben wij een ander te verwachten?”
Op dat ogenblik genas Jezus veel mensen
van ziekten, kwalen en boze geesten
en Hij schonk een groot aantal blinden het gezicht terug.
Hij gaf hun dit antwoord:
“Gaat aan Johannes zeggen wat ge gezien en gehoord hebt:
blinden zien en lammen lopen,
melaatsen worden gereinigd en doven horen,
doden staan op
en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.
Gelukkig hij die aan Mij geen aanstoot neemt.”

Homilie  

“Ik ben de Heer en niemand anders. Ik boetseer het licht en Ik schep de duisternis, Ik maak de vrede, Ik sticht het onheil, Ik, de Heer, bewerk dit alles. Naast Mij is er geen God. Iedere knie zal voor Mij buigen."
En als Johannes de Doper, zijn voorloper die Hem heeft aangewezen, in de gevangenis hoort van de werken van de Christus, wat hoort hij dan? Dat Hij, voor wie iedere knie moet buigen, zelf de knie buigt. Nederig, tegemoet komend, barmhartig, Zich buigt voor zieke mensen, voor hun kwalen en kwellingen. "Op dat ogenblik genas Jezus veel mensen van ziekten, kwalen en boze geesten en Hij schonk een groot aantal blinden het gezicht terug.” Dat was wel even wennen. Johannes de Doper verwachtte, zoals iedereen, iemand die met harde hand zou optreden, met harde hand zou toeslaan. “Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen" (Mt 3,10; vgl. Lc 3,9). Met harde hand een zuivering doorvoeren onder het volk. De wan in de hand.
En dan komt Jezus en Johannes moet aanzien hoe Hij niet met harde hand toeslaat, de kwaden, de bozen, de Romeinen, de heidenen het land uitjaagt, maar met zachte hand geneest. En dat Hij daar, zoals we vandaag in het evangelie horen, ook zijn zending van maakt: Daar ben Ik nu juist voor gekomen. Dat is nu juist de inhoud van mijn zending. Het is niet zomaar, bijzaak, nee, dát is het. "Gaat aan Johannes zeggen wat ge gezien en gehoord hebt: blinden zien en lammen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd."

Nu hoorde Johannes de Doper in die uitspraak nog iets anders dan alleen maar een bevestiging van wat zijn leerlingen hem meldden, de werken van de Christus, hij hoorde daarin tegelijkertijd, en dat was ook de bedoeling, een citaat uit de profeet Jesaja, diezelfde profeet waaruit u zo-even hebt horen voorlezen: "Ik ben de Heer.” Jesaja kondigde de Messias, de Gezalfde des Heren aan op deze wijze: “Blinden zien, lammen lopen, doven horen, melaatsen worden gereinigd."

Daar had men blijkbaar overheen gehoord - en wie zou dat niet doen? Zoals men er ook gemakkelijk overheen hoort, dat in de lezing die u zo-even hoorde, wordt gezegd: "Ik ben de Heer en niemand anders, dauwt hemelen uit den hoge." Ik kom als dauw. Ik kom niet als een orkaan, niet als een verpletterende slagregen, zoals bij het einde, het eindoordeel, wordt aangekondigd voor mensen die niet naar het woord van barmhartigheid luisteren: "Een storm stak op, de regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, ze stortten zich op het huis zodat het in zijn geheel verwoest werd." Een verwoestend oordeel. Dat is zijn komst bij het laatste oordeel. Maar nu komt Hij als dauw, onzichtbaar, diep doordringend, weldadig, genezend.

Nu is Jezus' barmhartige wijze van doen eigenlijk ook een oordeel. Als Hij Zich zo met zieken, armen, melaatsen en blinden bezighoudt, is dat tegelijkertijd een oordeel over wie de mensen zijn. Wij zijn allen erbarmelijk. Wij zijn allemaal blind, allemaal melaats. De goeden, die nu goed aangeschreven staan, evengoed als de slechten. Aan de slechten kun je zien, wat er in de goeden zit. En aan Jezus' barmhartige wijze van doen aan de zieken kun je zien wat Hij doet aan allen, zieken en gezonden, slechten en goeden, rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Dat is voor ons een aanwijzing hoe wij ons moeten opstellen ten aanzien van de kwalen van onze medemensen, van hun gebreken, van hun tekorten. De normale, de gewone menselijke reactie is: dat is onuitstaanbaar, dat moet nu maar eens uit zijn, daar kan ik me woedend over maken, ik ben er zo boos over, daar moet je maar eens een punt achter zetten. Maar het oordeel gaat nu over degene die zo oordeelt. Het oordeel is: kijk naar Jezus, hoe Hij die kwalen, die ons zo opwinden en boos maken, hoe Hij die kwalen tegemoet treedt. Met zachtheid, met barmhartigheid, tegemoetkomend, proberen het goede eruit te halen, opvoedend, dat wil zeggen, niet het slechte bestrijden, maar het goede opvoeden, groot laten worden, zodat daardoor vanzelf het slechte, het minder goede, verdwijnt, wordt opgenomen.