Eerste lezing: Sefanja 3,1-2.9-13
Evangelie: Matteüs 21,28-32
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot de hogepriesters
en de oudsten van het volk:
Wat denkt ge van het volgende?
Een man had twee zonen.
Hij ging naar de eerste toe en zei:
Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard.
Goed vader, antwoordde deze,
maar hij deed het niet.
Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde.
Deze antwoordde: Neen, ik wil niet;
maar later kreeg hij spijt en ging toch.
Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?
Ze zeiden:
De laatste.
Toen zei Jezus hun:
Voorwaar, ik zeg u:
de tollenaars en de ontuchtige vrouwen
gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.
Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid;
toch hebt gij hem geen geloof geschonken,
terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen
hem wel geloof schonken.
Maar zelfs nadat ge dit hadt gezien,
zijt ge toch niet tot inkeer gekomen
en hebt ge hem geen geloof geschonken.
Homilie
Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan? Daar gaat het blijkbaar om in het leven, om de wil van God: 'Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.' Het is de levenshouding van Maria: Zie, de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord. Het gaat erom dat God met Kerstmis een ootmoedig, bescheiden volk vindt (Sef 3,12), zoals Hij met welwillendheid heeft neergezien op Maria, zijn kleine dienstmaagd" (Lc 2,48).
Dat ootmoedige, bescheiden volk vindt God om te beginnen in Jezus, de eniggeboren Zoon van de Vader: "Ik ben niet gekomen om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft (Joh 6,38). Jezus leeft ervan de wil te doen van zijn Vader: Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen (Joh 4,34). Ook al is dat nog zo moeilijk, ook al druist dat nog zozeer in tegen zijn eigen wil: Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan. Tot driemaal toe heeft Jezus dat gebeden, maar ook tot driemaal toe: Niet wat Ik, maar wat Gij wilt" (Mt 26,39).
Jezus treft de mensen aan met een opstandig hart tegenover de wil van God, de wil van de Vader, zoals in de parabel de eerste zoon wel 'ja' zegt, maar 'nee' doet en de tweede in eerste instantie 'nee' zegt: 'Nee, ik wil niet', maar tenslotte toch doet wat zijn vader hem oplegt. Die houding van ongehoorzaamheid zit heel diep in de mens, zit in de wortel van het menselijk geslacht, zit bij zijn stamouders. Die gaven er de voorkeur aan om in plaats van God te dienen en te gehoorzamen zelf uit te maken wat goed en kwaad is en op die manier aan God gelijk te worden. De mens ís in zekere zin ook aan God gelijk geworden, doordat hij zichzelf centraal heeft gesteld: het eigen ik, de eigen wil, de eigen zin. In plaats van God de eerste te laten zijn, laat hij zijn eigen haan koning kraaien. God treft "een rebels, bezoedeld volk aan, een hardvochtige stad, die niet luistert, een vermaning niet aanvaardt, een hoogmoedig volk, een volk van vrolijke grootsprekers" (Sef 3,1-2.11).
Als mensen tenslotte wél doen wat God wil, houden ze innerlijk nog vast aan hun eigen wil. Ze doen de wil van God niet van harte, van binnenuit, maar alleen omdat het moet, omdat het niet anders kan, om de schone schijn te redden. Maar daar is God niet gelukkig mee. Hij wil niet de buitenkant, Hij wil juist de binnenkant, het hart van de mens. De vraag van Jezus was niet: wie van de twee heeft het wérk van zijn Vader gedaan, maar "wie van de twee heeft de wil van zijn vader gedaan?"
Het gaat er tenslotte niet om, dat je doet wat God zegt, dat je de geboden onderhoudt en de plichten van staat volbrengt, maar dat je leeft in overgave aan Gods wil. Want Gods wil is niet iets aan de buitenkant van God, zoals een wetgever niet persoonlijk betrokken hoeft te zijn bij de wetten die hij maakt en er dus niet persoonlijk door geraakt wordt als mensen die wetten niet naleven. Bij God is dat anders: bij alles wat God van ons vraagt, is Hij persoonlijk betrokken, met zijn Hart, met zijn liefde. In wat God van ons vraagt, zoekt God ons persoonlijk te ontmoeten. Die persoonlijke ontmoeting kan ook inderdaad tot stand komen wanneer wij bij wat ons overkomt en bij wat wij moeten doen, niet bij onszelf blijven hangen, maar onze eigen wil en onze eigen ik-middelpuntigheid opgeven. Want wij zijn geboren uit de wil van God (Joh 1,13), uit de begeerte, het liefdesverlangen van God, en dan kan ook alles wat ons overkomt en wat wij moeten doen, leiden tot een liefdesontmoeting met de Vader. Wij zijn kinderen van zijn welbehagen, zoals de engelen de herders in de kerstnacht toezingen: "Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen van zijn welbehagen" (Lc 2,14).