Donderdag in de derde week
        van de Advent
Eerste lezing: Jesaja 54,1-10
Evangelie: Lucas 7,24-30


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen de afgezanten van Johannes vertrokken waren
begon Jezus tot de menigte te spreken over Johannes.
“Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien?
Naar een riethalm door de wind bewogen?
Waar zijt ge dan wél naar gaan zien?
Naar iemand in verfijnde kleding?
Die prachtig gekleed gaan en in weelde leven
zijn te vinden in paleizen.
Wat zijt ge dan gaan zien?
Een profeet?
Inderdaad zeg Ik u, zelfs meer dan een profeet!
Hij is het over wie geschreven staat:
Zie, Ik zend mijn bode voor u uit
die de weg voor uw komst zal bereiden.
Ik zeg u:
onder wie uit vrouwen geboren zijn
is niemand groter dan Johannes.
Niettemin is de kleinste in het Rijk Gods groter dan hij.”
Het was het gewone volk dat naar hem luisterde;
zelfs de tollenaars erkenden Gods beschikking
door zich te laten dopen met het doopsel van Johannes,
maar de Farizeeën en wetgeleerden hebben, wat hen betreft,
het plan van God verijdeld
door zich niet door hem te laten dopen.


Homilie

De Farizeeën en wetgeleerden hebben het plan dat God met hen had, verijdeld. Hoe kun je nu het plan, dat God met je heeft, verijdelen? Dan denk je: door te zondigen. De zondeval is de doorkruising van het oorspronkelijke plan dat God met de mensen heeft, want Hij heeft ons bestemd om vlekkeloos te zijn voor zijn aanschijn. Dat was het eerste plan van God, de oorspronkelijke gerechtigheid, zoals het kleur en vorm heeft aangenomen in het paradijs.

Maar toen heeft God een nieuw plan gemaakt, zodat het oorspronkelijke plan, de oorspronkelijke gerechtigheid, die door de zondeval werd doorkruist, toch kon doorgaan. We hoorden zojuist in de eerste lezing dat de mens door de zonde is geworden als een verlaten, zielsbedroefde vrouw, als een onvruchtbare vrouw, als iemand van wie God zijn aangezicht heeft afgewend, maar die nu te horen krijgt: "Breek in kreten van vreugde uit, want de verlaten vrouw heeft vele zonen. (…) Uw nageslacht lijft andere volkeren in …” Zij worden niet ingelijfd in een ander volk, geen ballingschap meer. “Verlaten steden gaan zij bewonen. (…) Hij die u schiep, Hij is uw bruidegom, Hij is uw Schepper. Hij wordt genoemd: uw Verlosser, Israëls Heilige, God van geheel de aarde."

Zoals we het aan het begin zongen: 'Heel de aarde moet Hem aanbidden.' "Met een eeuwige liefde ontferm Ik mij over u." Kijk, dat is het nieuwe plan van God. Een plan van barmhartige liefde. God wil de verlaten, zielsbedroefde vrouw, die Hij in een opwelling van toorn aan haar lot had overgelaten, opnieuw aannemen. En dat plan verijdelen de schriftgeleerden, wetgeleerden en Farizeeën, zij willen Gods barmhartigheid niet aannemen. Zij willen zich niet bekeren, ze zijn zelfgenoegzaam, ze denken geen barmhartigheid nodig te hebben. En misgunnen die aan wie ervan overtuigd zijn dat zij die barmhartigheid van God wél nodig hebben, tollenaars en zondaars. Zij geloven niet in Gods barmhartige liefde, zij geven zich daaraan niet gewonnen.

Omdat Jezus wel kon begrijpen dat de mensen maar moeilijk in Hem de vlees geworden barmhartige liefde van zijn Vader konden zien, heeft Hij een nieuw teken bedacht. Toen het kwaad tot het uiterste ging, zich in zijn volheid op Hem stortte, toen liet Hij dat aan Zich gebeuren. Hij werd niet woedend, Hij wierp het niet van Zich af, maar Hij liet het aan Zich gebeuren, met een geduldig gedragen lijden, in verdraagzaamheid, in barmhartige liefde. Waar het kwaad tot het uiterste ging, gaf Hij een teken van zijn liefde tot het uiterste toe. Hij had hen bemind, Hij had goed gegeven voor kwaad, en toen het kwaad tot het uiterste ging, gaf Hij een teken, een bewijs, een openbaring, een mededeling van Gods barmhartige liefde tot het uiterste. Wanneer je daar niet in gelooft, verspeel je je heil. Als je de reddingsboei die God de mensheid toewerpt, niet grijpt, ben je reddeloos verloren. Het teken van de uiterste liefde wordt de mens tot heil of tot onheil.

Dat is wat wij hier vieren. God gooit ons, drenkelingen, opnieuw een reddingsboei toe. Weten wij ons drenkelingen? Grijpen wij die reddingsboei, onze enige redding? Dan doen we wat wij hier vieren niet voor niets.