Eerste lezing: Jesaja 56,1-3a.6-8
Evangelie: Johannes 5,33-35
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot de Joden:
Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd
en deze heeft getuigd voor de waarheid.
Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet,
maar Ik zeg dit
opdat gij gered zult worden.
Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten,
en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen.
De getuigenis echter die Ik bezit,
is waardevoller dan die van Johannes:
want het zijn juist de werken
die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen
en die Ik ook volbreng,
die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben.
Homilie
Mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volkeren
nog anderen zal Ik verzamelen en voeg ze toe aan hen die reeds verzameld zijn" (Jes 56,7.8, eerste lezing)
Het is in de tijd van de ballingschap en de tijd onmiddellijk daarna, dat Israël uit de schaal breekt van het ei waarin het was opgesloten geweest en er wijdere perspectieven komen: een huis van gebed voor alle volkeren (Jes 56,7). Het was de grote kracht van het volk dat het geloofde, dat God hen had uitverkoren boven alle volkeren en dat God met hun volk omging als met zijn erfdeel, zijn eigen bezit, dat Hij het vertroetelde en verzorgde als een moeder haar kind, dat hun God hen zo nabij was als geen god enig ander volk: "Is er soms een natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als de Heer onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen?" (Dt 4,7)
Maar wat eerst de grote kracht van hun Godsbeleving was, werd op den duur de grootste zwakheid: hun uitverkiezing was bedoeld als een voorbode voor de anderen, een uitgaan voor de anderen die hen zouden volgen in de uitverkiezing: alle geslachten zouden in Abraham gezegend worden: "Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde" (Gn 12,3). Maar de feitelijke beleving werd allengs: wij zijn uitverkoren en zij niet. Exclusief in plaats van inclusief, de andere volkeren uitsluitend in plaats van hen insluitend. De universaliteit van Gods roeping dreigde een aards-nationalistische vorm te krijgen. De aarde en hemel omvattende dimensies van het verbond met Abraham kregen een aards-nationalistische kleur.
In de ballingschap werd het bestaan van het volk zelf ondermijnd en eigenlijk zou daarmee de godsdienstigheid van het volk Israël moeten verdwijnen, want deze had zich geheel en al vastgezet op het volk en zijn geschiedenis: Jahwe was een volksgod, Hij was 'onze' God. Ging het volk eraan, dan ook zijn Godsgeloof. Maar in de geloofscrisis van de ballingschap onderging het geloof een transformatie: in plaats van zich op te lossen in de staatsreligie van de Babyloniërs, gebeurde het omgekeerde: de God van het beloofde land werd de Schepper van hemel en aarde. In plaats van in het niets te verdwijnen, werd de nationale God een bovennationale God, de God van de Joden werd de God van alle mensen: "Mijn huis is een huis van gebed voor alle volkeren."
Het is deze overgang van familiegod (van Abraham en zijn clan) naar volksgod (de God van het verbond op de Sinaï), naar wereldgod, de God die hemel en aarde gemaakt heeft, die iedere mens in de loop van zijn leven moet doormaken. Aanvankelijk is de wereld van elke mens niet groter dan het gezin waarin hij wordt geboren en waarin hij opgroeit. God is de God van zijn vader en moeder. De leefwereld van de jeugdige bestaat grotendeels uit gelijkgezinden, zoals in de situatie van Israël in het beloofde land God een volksgod was, onze God. In de wereld van de opgroeiende jongere wordt de geloofsbeleving in overheersende mate gedragen door de groep. Los van de groep is het voor de jeugdige moeilijk zijn identiteit te handhaven. De bekoring is dat hij zich aanpast aan de modetrends van de maatschappij, zoals Israël herhaaldelijk overliep naar de religies van de omringende volkeren. Tenslotte moet de volwassene een geloof krijgen in een God die niet groepsgebonden is. De volwassen mens die voor alle mensen openstaat, groeit naar een geloof in een God die in alle mensen als Schepper en Heer aanwezig is.
Zo staat Jezus nu voor zijn volksgenoten: Hij had de lamme in de badinrichting Betsaïda op sabbat genezen. Nu moeten de Joden wel in Hem geloven, niet op grond van het getuigenis van Johannes de Doper: "Deze heeft getuigd voor de waarheid." Want Jezus is niet afhankelijk van Johannes' getuigenis : "Ik behoef de getuigenis van een mens niet." Jezus steunt op het getuigenis van God, die door dit genezingswonder dat Hij door Jezus' hand verricht, voor Hem getuigt. Jezus vraagt dat wij in Hem geloven, niet op grond van zijn behoren tot een familie, of tot een bepaald volk, maar op grond van zijn werken: "Het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben" (Joh 5,36).
Zo staat Jezus nu ook voor ons, voor mij: zijn werken getuigen van Hem: de schepping, de geschiedenis en de sacramenten van de Kerk. Hier en nu mag ik, door de eucharistie, Hem persoonlijk ontmoeten in zijn grootste werk: zijn lijden, dood en verrijzenis.