Donderdag in de derde week
    van het even jaar
               Heilige Johannes Bosco, priester


Eerste lezing: 2 Samuël 7,18-19.24-29 [III 31];
Evangelie: Marcus 4,21-25 [III 32]


Inleiding  

'De Heer heeft zijn volk gevoed.' Een herinnering aan vroeger tijden, aan de woestijntijd, die in de loop van de geschiedenis steeds weer werd opgehaald. Oude koeien uit de sloot? Nee, het was wat het volk in de omgang met God merkte: dat Hij het hart van de gelovigen verzadigt met zijn woord, het voedt met zijn liefde, met zijn liefdevolle zorg. Om daaraan uitdrukking te geven, haalden zij die oude herinneringen op. En zo doen ook wij. Het is niet een herinnering aan vroeger, maar aan de hand van de herinnering aan vroeger, spreken we uit wat we in het heden met God beleven. Dat krijgt zijn volle ontplooiing in het woord dat nu tot u gesproken zal worden. U gaat nu aanzitten aan twee tafels: aan de tafel van het Woord en aan de tafel van zijn Lichaam en zijn Bloed, van zijn liefde. Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij ons zo weinig gelegen laten liggen aan het woord, er doof voor zijn en, volgens de taal van het evangelie van vandaag, er blind voor zijn.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd zei Jezus tot de menigte:
“Komt er soms een lamp om onder de korenmaat
of onder de rustbank gezet te worden,
of juist om op de standaard te worden geplaatst?
Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt zal worden;
en niets is geheim dat niet aan het licht zal komen.
Als iemand oren heeft om te horen, hij luistere.”
Verder zei Hij:
“Let op wat gij hoort.
De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken;
zelfs een toemaat zal men u geven.
Aan wie heeft, zal gegeven worden;
maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden
zelfs wat hij heeft.”

Homilie  

De geheimen van het Rijk van God, gehuld in geheimtaal. De uitleg is al even geheimzinnig als wat uitgelegd wordt. "Aan u is het gegeven om de geheimen van het Rijk Gods te kennen," zegt Jezus, zoals wij gisteren hoorden in de parabel van het zaad in de akker gestrooid. Hij geeft een uitleg, zoals gisteren, maar of het nu veel helderder geworden is? De geheimen van het Rijk Gods zijn dan ook niet zozeer raadsels waarvan, als je de oplossing eenmaal weet, het geheim, het raadselachtige is opgeheven, nee, de geheimen van het Rijk van God blijven geheimvol. Je kunt er alleen in komen, je kunt er alleen in wonen. Wat u (de zusters van de altijddurende aanbidding) doet met het geheim van het heilig Sacrament. U woont daarin, u begrijpt het niet, u hoeft het ook niet te begrijpen, u kunt het ook niet begrijpen. Het is groter dan jezelf, groter dan je verstand. Het is liefde.

Iets kun je er wel van zeggen. "Komt er soms een lamp …" Een merkwaardige uitdrukking, een lamp die komt. Het lijkt wel een levend wezen, alsof het iets uitdrukt van een persoon, van eigen initiatief. De zon boven Fatima, een levenloos voorwerp, kreeg de gestalte van een bezield lichaam dat naar de toeschouwers toekwam, wentelend, draaiend, kleuren uitstralend, levend, bewegend, haar vaste baan verlatend als een teken van het komen van God. Jezus zegt dan ook van Zichzelf dat Hij Iemand is die komt. "Ik ben gekomen niet om rechtvaardigen te roepen maar zondaars. Zoals Johannes de Doper ook van Hem zegt: “Hij die na mij komt". Zo kwam het Woord van God over Johannes en zo komt het koninkrijk en zo komt de dag en zo komt het uur. Het is het koninkrijk van God in Jezus' eigen Persoon. Hij is het licht dat komt. Jezus zelf is de lamp, de lamp die van God komt, die opkomt, zoals de zon boven Fatima naar de mensen toekwam. Hij staat nog onder de korenmaat, onder de rustbank. Hij leidt nog een verborgen bestaan, als het zaad in de akker, een verborgen Messias, iemand die zich terugtrekt.

Maar dat is niet het einde. "Komt er soms een lamp om onder de korenmaat of onder de rustbank gezet te worden, of juist om op de standaard te worden geplaatst?” Als het licht van de wereld, dat stralend schijnt, heerlijk en verheerlijkend. Daar zal het naartoe gaan. “Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt zal worden, niets is geheim dat niet aan het licht zal komen." Nog staat Hij onder de korenmaat, nog is Hij verborgen, nog is Hij een lijdende Messias, maar Hij draagt de heerlijkheid, de verheffing, het stralende licht al in Zich, als een belofte. Dat zegt Hij ons aan. Het licht schijnt al. Er wordt tot de luisteraars gezegd - want we zijn nog bezig naar het Woord van God te luisteren - niet getoond om te zien, want je ziet juist niets, tenzij in het geloof, nu wordt aan de luisteraars gezegd: 'Let op hoe je luistert'. Je moet zó luisteren dat je dat wat je beluistert, zelf wordt. Vertaald in de termen van de parabel is dat: Je moet zó luisteren dat je het licht, dat in je hart schijnt en het daar van binnenuit verlicht, ook uitstraalt. Wie krijgt, moet geven. Dat is het wonderbaarlijke van dit geheim, dat het zich vermenigvuldigt door te delen, door zich uit te delen; door zich aan anderen te geven, wordt het van binnenuit aangemaakt, in overvloed gegeven, want er staat: "De maat die gij gebruikt voor anderen, zal men ook voor u gebruiken, zelfs een toemaat zal men u geven."

Dat is het geheim van de eucharistie: "Dit is mijn Lichaam voor u." Jezus deelt Zich uit en daarin vermenigvuldigt Hij Zich. Een wonderbare broodvermenigvuldiging wordt een wonderbare Jezus-vermenigvuldiging. Nu het Woord van God tot je gekomen is, moet je er wat mee doen. Nu God het licht in je hart geschreven heeft, moet je het ook uitstralen. Men moet aan u kunnen zien dat Jezus u verlicht heeft, dat Jezus uw licht is.