Eerste lezing: 2 Samuël 11,1-4a.5-10.13-17 [III 33];
Evangelie: Marcus 4,26-34 [III 34]
Inleiding
'Gij gaat onze aarde te boven en uw woorden zijn ons leven.' Dus wat ons te boven gaat, is ons eigen leven. Wij krijgen het brood van de engelen. Een hemels leven in onze aardse harten. We leven van een geheim dat ons verre te boven gaat. Beginnen wij eerst onze ontoereikendheid, onze zondigheid te belijden, ons gebrek aan geloof, dat God Zich zozeer met ons wil verenigen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
Het gaat met het Rijk Gods als met een man
die zijn land bezaait;
hij slaapt en staat op, 's nachts en overdag,
en onderwijl kiemt het zaad en schiet op,
maar hij weet niet hoe.
Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort,
eerst de groene halm, dan de aar,
dan het volgroeide graan in de aar.
Zodra de vrucht het toelaat, slaat hij er de sikkel in,
want het is tijd voor de oogst.
En verder:
Welke vergelijking kunnen we vinden voor het Rijk Gods
en in welke gelijkenis zullen we het voorstellen?
Het lijkt op een mosterdzaadje.
Wanneer dat gezaaid wordt in de grond,
is het wel het allerkleinste zaadje op aarde;
maar eenmaal gezaaid, schiet het op
en wordt groter dan alle tuingewassen,
en het krijgt grote takken,
zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.
In vele dergelijke gelijkenissen verkondigde Hij hun zijn leer
op de wijze die zij konden verstaan.
Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen,
maar eenmaal met zijn leerlingen alleen,
gaf Hij van alles uitleg.
Homilie
Weer een parabel over het zaad, twee zelfs. Er zijn er drie. De eerste gaat over de goede en de slechte gesteltenis waarin het zaad van het Woord van God terecht komt. Het Woord van God, het zaad in de akker van ons hart, kan op vele wijzen worden tegengewerkt. De vogels in de lucht die het zaad wegpikken. Of de harde bodem die staat voor de onontvankelijke, steenharde grond van het menselijk hart. En dan de distels en de doornen, die staan voor de zorgen en de verstikkende genoegens. Dat is de eerste parabel.
Maar als er goede grond is, ontvankelijkheid, geloof in de groeikracht van het Woord van God, dan brengt dat zaad in de akker van het menselijke hart goede vrucht voort: dertig-, zestig- en honderdvoudig. Dat is de eigen dynamiek van de groeikracht van het Woord van God. Is de gesteltenis goed - daar gaat vandaag de parabel over - dan groeit het zaad vanzelf uit, het is de eigen groeikracht van het Woord van God. Mensen van goede wil, zegt deze parabel, hebben de neiging teveel te doen. Ze hoeven niet aangespoord te worden meer te werken, meer hun best te doen. De mens van goede wil moet eerder aangespoord worden minder te doen, om het zwaartepunt te leggen bij het doen van God, bij wat God doet. Je moet niet zo actief zijn, niet zo bezig met wat je zelf doet, maar meer met wat God in je doet. Mensen van goede wil kunnen er bijvoorbeeld maar niet genoeg van krijgen gebeden te bidden, langer te bidden, naar preken te luisteren. Als er maar gepreekt wordt. Wat aanvankelijk goed was, goed uitwerkte, wordt bij mensen met een goede gesteltenis gemakkelijk een hindernis. Ze zijn zo bezig met vooruit te willen gaan, het goede te doen, te horen, dat ze voorbij leven aan de eigen kracht van het Woord van God dat hun gegeven wordt. Ze moeten minder bidden, er meer uithalen. Ze moeten minder horen en er meer uithalen, langer blijven stilstaan bij het Woord van God, om de eigen kracht ervan te proeven en te smaken. Niet te snel doorgaan met lezen, niet zoveel eten, eerst verwerken, eerst het opnemen in het hart, in de totaliteit van het menselijk lichaam. Zoals de boer vertrouwt op de eigen groeikracht van het zaad. God wil zelf de liefde geven, de heilige Geest, om zijn groeikracht in het mensenhart voort te zetten.
'Maar het werk moet toch af.' 'Je moet wel nadenken bij wat je doet.' Jawel, met je gedachten bij het werk, maar met je hart bij God. Leven en werken en ook bidden in zijn aanwezigheid. Als je dat doet, dan wordt de derde parabel, van dat kleine mosterdzaadje, realiteit. Als je dat doet, zul je meemaken wat dat mosterdzaadje meemaakt: het allerkleinste zaadje, maar eenmaal gezaaid, "schiet het op en wordt groter dan alle tuingewassen, het krijgt grote takken zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen."