Eerste lezing: 2 Samuël 7,4-17 [III 29];
Evangelie: Marcus 4,1-20 [III 30]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd begon Jezus te leren aan de oever van het meer.
Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem,
zodat Hij in een boot die op het water lag, moest stappen
om daar plaats te nemen,
terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond.
Hij leerde hun vele dingen door middel van gelijkenissen,
en in zijn onderrichting zei Hij tot hen:
Luistert. Eens ging een zaaier uit om te zaaien.
Toen hij aan het zaaien was viel een gedeelte op de weg
en de vogels kwamen het opeten.
Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken
waar het niet veel aarde had;
het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag.
Maar toen de zon was opgekomen
kreeg het te lijden van de hitte,
zodat het verdorde bij gebrek aan wortel.
Weer een ander gedeelte viel onder de distels
en deze schoten op zodat het zaad verstikte
en geen vrucht opleverde.
Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond
en doordat het opschoot en zich ontwikkelde,
leverde het vrucht op en bracht het dertig-,
zestig- en honderdvoudige voort.
En Hij voegde er aan toe:
Wie oren heeft om te horen, hij luistere.
Toen Hij weer alleen was, stelde zijn omgeving, ook de twaalf,
Hem vragen omtrent de gelijkenissen.
Hij antwoordde hun:
Aan u ís het geheim van het Rijk Gods geschonken
maar zij die erbuiten staan, krijgen alles in gelijkenissen,
opdat zij wel scherp kijken met hun ogen maar niet zien,
en wel luisteren met hun oren maar niet verstaan,
opdat zij zich niet zouden bekeren en vergiffenis krijgen.
En Hij vervolgde:
Begrijpt ge deze gelijkenis niet?
Hoe zult ge dan alle gelijkenissen verstaan?
De zaaier zaait het woord.
Die op de weg - waar het woord gezaaid wordt -
zijn de mensen bij wie als zij het gehoord hebben,
terstond de satan komt en het woord weg rooft
dat gezaaid ligt in hun binnenste.
Op dezelfde manier
zijn zij die op de rotsachtige plekken gezaaid worden
de mensen, die als zij het woord gehoord hebben,
het terstond met blijdschap opnemen;
maar zij hebben geen wortel geschoten, leven bij het ogenblik,
en als zij omwille van het woord onderdrukt of vervolgd worden,
komen zij onmiddellijk ten val.
Die tussen distels gezaaid worden, zijn weer anderen,
die het woord wel gehoord hebben,
maar wanneer de zorgen van de wereld,
de begoocheling van de rijkdom
en de begeerten naar al het andere binnendringen,
verstikken deze het woord en zo blijft het zonder vrucht.
De in de goede grond gezaaiden
zijn de mensen die het woord horen,
het in zich opnemen en vrucht dragen: dertig-,
zestig- en honderdvoudig.
Homilie
Luistert
, en wat komt er dan? Waarnaar moeten we luisteren? Naar een les in het luisteren. Wie oren heeft om te horen, hij luistere. Jezus vertelt ons niet waarnaar we moeten luisteren, maar hóe we moeten luisteren. Een les in het luisteren. Daarvoor neemt het volk de luisterhouding aan, de luisterpositie. Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem, en Jezus neemt de houding aan, de positie in van degene die met gezag spreekt. Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een boot die op het water lag moest stappen om daar plaats te nemen terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond."
De spreker, de zaaier die het woord zaait, en het land, de grond, waarin het woord wordt gezaaid, waarin het woord wordt uitgesproken. Het is een beeld van de verhoudingen van die dagen, en van wat er nu hier in de kerk gebeurt. Er is een afstand, hoe klein of hoe groot ook, er is altijd een afstand tussen priester en volk. De priester staat op de plaats van de zaaier, van Jezus, en u staat of zit op de plaats van de grond waarin gezaaid wordt, waarin het Woord van God terecht komt. Er is een afstand. Daarvoor gebruikt Jezus de boot: "zodat Hij in een boot die op het water lag moest stappen." Het is niet zomaar een boot, de boot is natuurlijk van Petrus, dat is de Kerk. Doordat je tot de Kerk behoort, word je van de mensen afgezonderd, hoor je niet zonder meer bij de mensen. Want als je bij de mensen hoort, krijg je ook te maken met de geest die onder de mensen heerst, en dat is niet de heilige Geest. Dat zijn allerlei andere geesten.
Maar als je tot de Kerk behoort, hoor je tot de gemeenschap waarvan de heilige Geest de ziel is. En dan kun je ook luisteren. Dan kan het Woord van God 'evangelie' voor je worden, en dan ook je gedrag daarop afstemmen, dat je dat evangelie als criterium wilt nemen voor je denken, spreken en handelen. Dan zijn er nog wel een heleboel moeilijkheden, die worden in deze parabel breed uitgemeten. We moeten zó luisteren dat we het niet meteen weer kwijt zijn. Zorg ervoor, zegt de parabel, dat u zó luistert dat u tegen de verdrukking in het woord kunt vasthouden. Zorg dat u zo luistert dat u het niet door de drukte, de zorgen, de genoegens, datgene waar u opuit bent, waarop u uw zinnen hebt gezet, laat verstikken. Laat het woord in goede grond vallen, zodat het dertig-, zestig-, honderdvoudige vrucht voortbrengt. Geef ruimte aan het woord, laat het er bij u ingaan, diep in de aarde van uw hart vallen, zodat u, wanneer u weer verder gaat met het gewone leven, de kracht van dat woord gaat ondervinden, dat het u sterkt en steunt, dat het een bijdrage wordt voor de opbouw van uw leven, met uzelf en met elkaar.