Zaterdag in de derde week
     van het even jaar
                                   Opdracht van de Heer  


Eerste lezing: Maleachi 3,1-4 [ABC 212]; antwoordpsalm: Psalm 24,7.8.9.10;
Tweede lezing: Hebreeën 2,14-18 [ABC 213]; vers voor het evangelie: Lucas 2,32;
Evangelie: Lucas 2,22-40 [ABC 214]


Inleiding  

'Omnis terra adoret Te, Deus.' 'Heel de aarde moge U aanbidden.' Misschien zou men kunnen vertalen: Heel de aarde zou U eigenlijk moeten aanbidden en U psalmen toezingen, uw Naam, Allerhoogste. Want Hij is de Allerhoogste en die God die door heel de wereld zou moeten worden aanbeden, mogen wij nu hier aanbidden. Dat het tenminste op deze plek geschiedt en niet alleen op deze plaats, maar dat wij met hart en ziel op deze plaats staan om Hem te aanbidden, van wie eigenlijk de hele aarde de lof zou moeten bezingen, dat geeft een heel ander perspectief. Waar wij mee bezig zijn, dat is niet iets van een klein groepje of een heel grote groep, of van een grootmacht, dat is iets van heel de aarde. Dat is iets van de mens. Dat wij in die menselijke plicht te kort schieten dat is onze zonde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen de tijd aanbrak,
waarop Maria en het Kind volgens de Wet van Mozes
gereinigd moesten worden,
brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem
om Hem aan de Heer op te dragen,
volgens het voorschrift van de Wet des Heren:
elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht
moet aan de Heer worden toegeheiligd,
en om volgens de bepalingen van de Wet des Heren
een offer te brengen,
namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven.
Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon,
een wetgetrouw en vroom man,
die Israëls vertroosting verwachtte,
en de heilige Geest rustte op hem.
Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest
dat de dood hem niet zou treffen,
voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd.
Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen.
Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten
om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen,
nam ook hij het kind in zijn armen
en verkondigde Gods lof met de woorden:
“Uw dienaar laat gij, Heer,
nu naar uw woord in vrede gaan:
mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd,
dat Gij voor alle volken hebt bereid;
een licht dat voor de heidenen straalt,
een glorie voor uw volk Israël.”
Zijn vader en moeder stonden verbaasd
over wat van Hem gezegd werd.
Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit
en hij zei tot Maria, zijn moeder:
“Zie, dit Kind is bestemd
tot val of opstanding van velen in Israël,
tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van vele harten
openbaar moge worden;
en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.”
Er was ook een profetes, Hanna,
een dochter van Fanuël uit de stam van Aser.
Zij was hoogbejaard,
en na haar jeugd had zij zeven jaar met haar man geleefd.
Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar.
Ze verbleef voortdurend in de tempel
en diende God dag en nacht door vasten en gebed.
Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God
en sprak over het Kind tot allen
die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.
Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden,
keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug.
Het Kind groeide op en nam toe in krachten;
het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem.

Homilie  

“Zijn ouders brachten Jezus naar Jeruzalem om Hem aan de Heer op te dragen … Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd."
Er moet een offer gebracht worden. Eigenlijk driemaal een offer. Tempelgang is offergang. Offers brengen heeft iets dreigends, we horen het woord 'offer' niet graag. Het roept iets op van wat ons bij de profeet Maleachi werd voorgehouden: "Maar wie kan de komst van zijn dag verdragen? Wie zal er staande blijven als Hij verschijnt. Dat is als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers. Hij zet zich neer om het zilver te smelten om het te zuiveren. Om de levieten te zuiveren en hen als goud en zilver te louteren."

Branden, zuiveren, vagevuur. Maar Jezus komt in het Nieuwe Verbond als de vervulling van het Oude Verbond, niet als iemand die erboven staat, die erbuiten staat, maar zoals de tweede lezing het zegt: "deel hebbend aan hetzelfde vlees en bloed." Hij heeft ons bestaan willen delen om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen. Hij is in alles aan zijn broeders gelijk geworden, om als een medelijdend en getrouw hogepriester hun belangen bij God te behartigen en de zonden van het volk uit te boeten. Hij komt niet met het oordeel over ons, Hij komt met het oordeel over Zichzelf, om de zonden van het volk uit te boeten, als een boeteoffer. Hij komt met barmhartigheid. De barmhartigheid triomfeert over het oordeel, dat worden wij dan ook niet moe te bezingen: 'Suscepimus misericordiam Domini medio templo tuo,' 'Wij ontvangen uw barmhartigheid in het midden van uw tempel.' Het Kind, dat Jozef en Maria uit handen geven en in de armen van de priester leggen, is de Barmhartige, de barmhartigheid zelf.

Het is een gebaar: Maria staat haar Kind af aan de priester en deze heft het omhoog naar God. Volgens de Joodse wetgeving moest veertig dagen na de geboorte de mannelijke eerstgeborene aan God worden opgedragen, als teken van de onbeperkte heerschappij van God en tot eeuwige dank voor de redding van de eerstgeborene van Israël uit de greep van de verderfengel. Het is geen oordeel, maar een verlossing, een bevrijding van het Godsoordeel, een gespaard worden van het oordeel dat over de mensheid moet worden voltrokken vanwege de zonden.

Dit Kind neemt het oordeel over onze zonden van ons over. Hij neemt het op Zich. Dat is waarom wij die barmhartigheid van de Heer, die opdracht van de Heer in de tempel vieren. Wat de mensheid zou moeten treffen, treft Hem. "Een lichaam hebt Gij Mij gegeven. Zie Ik kom om Uw wil te doen" (He 10,5-7).
Wat wij hier vieren is eigenlijk zoveel als de eerste heilige mis van Jezus. Wat toen begonnen is, wordt nu voltooid. Dat is de inzet van zijn hele leven. Gedurende de rest van Jezus' leven zal ons duidelijk gemaakt worden hoe totaal deze beginovergave is geweest. Hij zal de overgave van dat rituele gebaar in de tempel openbaren aan zijn Lichaam. "Slachtoffers en brandoffers hebt Gij niet gewild, maar een lichaam hebt U Mij bereid. Zie Ik kom om Uw wil te doen," aan mijn Lichaam (He 10,5-7).

Terwijl de officiële bedienaar van de godsdienst hun Kind omhoog hief naar God, volgen Maria en Jozef met hun blikken deze beweging van offer en toeheiliging. En doen ze dat met angst, met ongerustheid? Nee, ze doen het met een gerust hart, met overgave, met liefde, met vertrouwen. Nu pas weten zij hun Kind veilig. Zoals alle gelovige ouders hun kind pas veilig weten wanneer zij het hebben laten dopen. Nu weten ze dat het in goede handen is. Zoals wij allemaal onze dag beginnen, en het pas goed durven beginnen wanneer wij in het ochtendgebed onze dag toegewijd hebben aan God, wanneer wij ons aan God uit handen hebben gegeven. Dan pas zijn we veilig.

Betekent dit dan dat je niets zal overkomen? Nee, de woorden van Simeon zijn niet mis te verstaan: "Dit Kind is een teken van tegenspraak, en een zwaard zal uw eigen ziel doorboren." Als moeder zal Maria met dit zwaard kennismaken. Als Hij twaalf jaar geworden is en Zich, door in de tempel achter te blijven, voor de tweede maal door de Vader laat toe-eigenen (dit is de eerste maal) moesten zij Hem zoeken en toen zij Hem vonden, was dat het eerste zwaard door het hart van Maria. "Denkt toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht" (Lc 2,48).
Pijn en zwaard zullen ons niet bespaard worden. Pijn in het hart is Maria niet bespaard geworden tot onder het kruis, toen zij opnieuw haar Kind uit handen moest geven. En dat heeft zij opnieuw met geloof gedaan. Pikzwarte duisternis was er tussen haarzelf en God, maar daarachter was een licht van geloof, het Kind is in goede handen, de handen van de Vader, waaraan Hij Zich heeft toevertrouwd toen Hij zei: "Vader, in uw Handen beveel Ik mijn geest" (Lc 23,46).

Uit Vaders handen komt dit Kind dat de straf van de zonden op Zich heeft willen nemen, tot aan de dood toe. Dat is wat de zonde verdient en dat is wat God voor ons heeft willen dragen. Straks, bij de heilige communie, mogen we onze barmhartige Heer in onze handen nemen, het Lichaam van Gods Zoon.