Eerste lezing: 2 Samuël 6,12b-15.17-19
Evangelie: Marcus 3,31-35
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Eens kwam Jezus' moeder en zijn broeders,
en terwijl zij buiten bleven staan,
stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen.
Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf:
Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U.
Hij gaf hun ten antwoord:
Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?
En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen
die in een kring om Hem heen zaten, zei Hij:
Ziehier mijn moeder en mijn broeders.
Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij,
die de wil van God volbrengen.
Homilie
Eens kwamen Jezus' moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan.
Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U." Tweemaal wordt er melding van gemaakt dat Jezus' familieleden buiten staan, dat zij er buiten staan, dus dat zij er niet bijhoren. Zij, die behoren tot de binnenste kring van Jezus' relaties, tot de intimi, staan buiten. En dat vreemde volk, die mensen van overal vandaan, van buiten de familie, behoren tot de binnenste kring. Wat daar voor aller ogen aanschouwelijk geschiedt, wordt door Jezus onder woorden gebracht, bevestigd en tot evangelie verklaard, tot Blijde Boodschap. "Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders? En terwijl Hij zijn blik liet rondgaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten, zei Hij: Ziehier mijn moeder en mijn broeders."
Jezus verlaat zijn eigen familie om óns tot zijn familie te maken. Hij verlaat ook zijn goddelijke familie, de Vader in de hemel, om ons tot familie van God te maken, om ons naar het goddelijk gezin over te brengen, ons terug te brengen naar onze hemelse afkomst als kinderen van God. "Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij, die de wil van God volbrengen." Maar de familieband is toch heilig, is toch een gebod van God? Het is toch een gebod van God dat men de band met zijn familie, met vader en moeder, blijft onderhouden, zoals Hij dat die rijke man op het hart drukt. "Ge kent de geboden: Gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, eer uw vader en uw moeder" (Lc 18,20; vgl. Mt 19,16-22; Mc 10,17-22). Dat zijn de geboden, aangeboden door God.
De familieband is heilig, dat vindt ook Jezus, maar stelt men die band absoluut, laten de familieleden geen andere relaties toe, dan wordt ze tot iets onheiligs, zoals met al het goede het geval is. Goed is goed, maar stelt men het goede absoluut dan wordt het iets verkeerds. Want God alleen is goed. Doordat God in iemands leven binnentreedt, worden alle verhoudingen anders. Dat betekent niet dat vader en moeder geen vader en moeder meer zouden zijn, of dat je liefde voor hen zou verdwijnen, dat je minder van hen gaat houden, nee, het goede blijft in tact, maar doordat er iets aan wordt toegevoegd, wordt het goede betrekkelijk. Er is Iemand in je leven van wie je nog meer mag houden.
Een soortgelijke verandering zien we vandaag ook in de eerste lezing bij David gebeuren. David wil zijn Heer prijzen, wil uiting geven aan zijn blijdschap over zijn verhouding met God. "David en alle Israëlieten dansten voor de Heer uit en speelden op allerlei instrumenten, op citers, harpen, tanboerijnen, ratels en cimbalen (2 Sam 6,5). Onderweg danste hij geestdriftig voor de Heer uit, alleen gekleed in een linnen efod (borstkleed). Iedereen was daar getuige van, ook de dochter van Saul, de gestorven koning. Zij minachtte hem en sprak er schande van: De koning van Israël heeft zich vandaag bepaald onderscheiden: als de eerste de beste landloper heeft hij zich onder de ogen van zijn slavinnen uitgekleed (2 Sam 6,20). Daarin heeft hij zich als koning juist niet onderscheiden. Maar David antwoordde: Ik heb gedanst ter ere van de Heer! Ik ben bereid mij nog dieper voor Hem te vernederen en in mijn eigen achting te vernederen" (2 Sam 6,22). De hoogste in Israël, koning David, wordt de laagste, als de eerste de beste landloper, als hij zich vernedert voor dé Koning van Israël, van wie hij het koningschap heeft ontvangen.
De grootste in het Israël van die dagen, Jezus, vormt samen met anderen een familie-eenheid. Gewone mensen worden zijn moeder, broeder en zuster, waar het gaat om hun relatie met zijn Vader, van wie de wil boven alles gaat, ook boven de allergrootste in Israël, de nieuwe Gezalfde, de nieuwe Koning, de gezalfde Koning, Christus onze Heer. De Grootste wordt de Kleinste in relatie tot de Allerhoogste.
Hier, in deze kapel, wordt dag en nacht de Allerhoogste tegenwoordig gesteld in de allerdiepste vernedering. Ook wij kunnen in ons eigen leven de Allerhoogste tegenwoordig stellen, zichtbaar maken, wanneer wij wat het allerhoogste is in onszelf, onze eigen wil, koning 'ik', aan God uit handen geven, door de dingen te doen in zijn wil.