Eerste lezing: 2 Samuël 12,1-7a.10-17
Evangelie: Marcus 4,35-41
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Op zekere dag, tegen het vallen van de avond, sprak Jezus tot zijn leerlingen:
Laten we oversteken.
Zij stuurden het volk weg
en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat;
andere boten begeleidden Hem.
Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot,
zodat hij al vol liep.
Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen.
Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem:
Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?
Hij stond op, richtte Zich met een dwingend woord tot de wind
en sprak tot het water:
Zwijg, stil!
De wind ging liggen en het werd volmaakt stil.
Hij sprak tot hen: Waarom zijt ge zo bang?
Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?
Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar:
Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?
Homilie
In vele dergelijke gelijkenissen verkondigde Jezus hun zijn leer op de wijze die ze konden verstaan
Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen gaf Hij van alles uitleg" (Mc 4,33.34). Zo eindigde het evangelie van gisteren. Na de parabels over het zaad in de akker, het mosterdzaadje, het zelfgroeiende zaad, na het onderricht in woorden, in gelijkenissen, krijgen de leerlingen vandaag met de werkelijkheid te maken. Het is hetzelfde onderricht, hetzelfde thema, maar nu in de werkelijkheid van het leven van de navolging van Jezus. Want wat leren de parabels nu eigenlijk? Wat is het thema van de parabels? Een parabel leert te leven door de dood heen. En wat leert Jezus in de werkelijkheid van de navolging aan zijn leerlingen? Het leven door de dood heen!
Vandaag is het thema een vliegende storm, doodsangst. "Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?
De Heer stond op en richtte Zich met een gebiedend woord tot de wind en sprak tot het water: Zwijg stil! De wind ging liggen en het werd volmaakt stil." In het vijfde hoofdstuk is er een vrouw die aan bloedvloeiing leed. Daar gaat het dus over de dodelijke zwakte van bloedverlies, verlies van levenskracht, dodelijke vermoeidheid. Jezus geneest haar.
Of het handelt over een kind dat al gestorven is en van wie Jezus zegt dat het slaapt. Of over een bezetene in een grafspelonk, levend in het gebied van de dood. Het zijn allemaal doodsituaties. Dát mogen de leerlingen meemaken, maar ook dat de Heer machtiger is dan de dood, dat Hij zelfs de dood overwint. Hij kan de zonde aan, want de dood is de uitwerking van de zonde. Hij overwint de zonde in de vergeving. De biecht, het sacrament van de vergeving, is dan ook een dood- en verrijzenisgebeuren.
De vraag is nu waarom de leerlingen dat nu in de werkelijkheid mogen meemaken en de menigte niet? Waarom krijgt de menigte het alleen maar in parabels te horen? Waarom krijgen die het alleen maar verwoord? De leerlingen mogen het in de werkelijkheid meemaken omdat ze zich als leerlingen ook in de werkelijkheid van het leven met Hem hebben geëngageerd.
Als je je meer met Jezus verbindt, omwille van Hem alles hebt losgelaten, de vaste kustlijn van de menselijke zekerheden achter je hebt gelaten, de bruggen naar het gewone menselijke bestaan hebt afgebroken, zul je ook meer meemaken van Hem en van zijn kracht om de dood te overwinnen. Je begeeft je eigenlijk in de navolging van Jezus, in een doodsituatie. Dat is het leven van de christen. Je wordt ondergedompeld in het watergraf van lijden en dood. Als volgeling van Jezus staat je leven in het teken van het sterven. Maar als je dat echt gedaan hebt en dat ook elke keer blijft doen, als je werkelijk de schepen achter je verbrand hebt omwille van Hem, zul je ook zien en meemaken, aan den lijve ervaren, dat Hij Heer en Meester is van dood én leven.
Maar als je werkelijk al je schepen achter je hebt verbrand, als je met dat stervende leven wordt geconfronteerd, ligt het voor de hand dat je in je schulp kruipt, dat je de risico's niet aandurft, dat je je vastgrijpt aan de zekerheden van het leven hier. Als je dat doet, krijg je een geloofsleven op minischaal, een soort 'Madurodam'-geloofsleven. Dat is een geloofsleven waarin alles verkleind is tot de mate van het menselijke postuur, van alles in de hand hebben, alles binnen handbereik hebben. Het is het leven van dood en verrijzenis op mensenschaal, het leven van hier en nu. De regels, de gezondheid, de regelmaat, je natje en je droogje, de nachtrust, allemaal dingen die moeten, maar het zijn ook de dingen die je moet kunnen opgeven, omdat ze de buitenkant vormen van een leven van dood en verrijzenis. Dat alles loslaten, zoals de leerlingen hun leven moesten loslaten en in de handen van de Heer leggen. "Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?" Heer, redt ons toch. U moet ons redden, wij kunnen onszelf niet redden.
De Heer bleef niet langer slapen, Hij ontwaakte en redde hun leven uit de dood, uit de ondergang, zoals Hij ook ons leven steeds weer opnieuw zal redden uit de ondergang.