Zaterdag in de derde week
   van het oneven jaar
                    Heilige Johannes Bosco, priester


Eerste lezing: Hebreeën 11,1-2.8-19 [II 35]
Evangelie: Marcus 4,35-41 [II 36]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Op zekere dag, tegen het vallen van de avond
sprak Jezus tot zijn leerlingen:  
“Laten we oversteken.”
Zij stuurden het volk weg
en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat;
andere boten begeleidden Hem.
Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot
zodat hij al vol liep.
Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen.
Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem:
“Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?”
Hij stond op, richtte Zich met een dwingend woord tot de wind
en sprak tot het water:
“Zwijg, stil!”
De wind ging liggen en het werd volmaakt stil.
Hij sprak tot hen: “Waarom zijt ge zo bang?
Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?”
Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar:
“Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”

Homilie  

“Ze stuurden het volk weg en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat."
Jezus zat in de boot om zijn onderricht aan de menigte, die langs het strand bleef staan om te luisteren, te vervolgen. En in de boot zittend zegt Hij tot zijn leerlingen: "Laten we oversteken." Er begint hier een nieuw moment in Jezus' onderrichting. Door de wonderen onderricht Hij nu, wat Hij in de parabels met woorden had uitgelegd. En die parabels leerden: nieuw leven uit de dood, uit de dodelijke zwakte van het zaad en van het mosterdzaadje. Jezus gaat nu zijn leerlingen in werkelijkheid laten meemaken wat Hij met die parabels had geleerd, en wel door hun de dodelijke zwakte aan den lijve te laten ervaren, door hen de doodschrik op het lijf te jagen in de confrontatie met de machten van de chaos op het meer van Galilea, en, zoals we nog zullen horen, door de confrontatie met de onweerstaanbare macht van de duivel in de bezetene in het land van de Gerasenen, en de dodelijke ziekte van het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiing bij de vrouw. Op dat moment zien ze voor hun ogen gebeuren wat Jezus aan de hand van de gelijkenissen had uitgelegd: nieuw leven uit de dood! Nieuw leven uit de dodelijk zwakke Jezus.

Vandaag krijgen we te maken met een hevige storm, waarbij de golven over de boot heen sloegen, zodat hij al vol liep, en Jezus ligt intussen aan de achtersteven op het kussen te slapen. Moeten we dan niet denken aan wat we gisteren hebben gehoord in die parabel van het zelfgroeiende zaad. "Het gaat met het Rijk Gods als met de man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, 's nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe" (Mc 4,26.27).
Ook Jezus slaapt, maar onderwijl waakt zijn Vader. De kracht van het Rijk Gods brengt, terwijl Jezus slaapt, moeiteloos zonder dat Hij zijn kracht gebruikt, het geweld van de storm, het geweld van wind en water tot staan. Daarop sprak Hij tot zijn leerlingen, toen Hij dat gedaan had: "Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat gij nog geen geloof bezit?"

Als je gewoon menselijk redeneert zou je zeggen: kan Jezus Zich dan zo weinig in de gevoelens van mensen inleven? Heeft Hij dan zo weinig mensenkennis? Is het niet een beetje wereldvreemd om te verlangen dat mensen geen angst hebben als ze in een vliegende storm verkeren, als ze dreigen te zinken? Ja, dat is echt menselijk, maar wat nu als Jezus God is, en ze in al die tijd dat ze bij Jezus zijn God in Hem bezig hebben geweten en dan nóg bang zijn? Komt dat niet neer op: niet geloven in Hem?

Ter verduidelijking: laten we de situatie van de leerlingen op het meer eens projecteren op gewone menselijke verhoudingen. Er is op die boot een moeder met een baby van een paar maanden. De moeder voelt de angst van het kind en wat doet ze? Ze begint het kind te wiegen, fluistert het lieve woordjes toe, omkleedt het met een mantel van veiligheid en geborgenheid, zodat het kind van geen gevaar meer weet. Het voelt alleen maar gerustheid. En die gerustheid zal zo groot worden, dat de moeder er zelf rustig van wordt. Maar als een baby in zo'n situatie niet rustig te krijgen is, dan is er iets aan de hand. Dan heeft het geen vertrouwen, dan gelooft het niet.

Jezus is in die boot, in die vliegende storm, als een kind op de schoot van zijn moeder. Hij straalde die majestueuze rust uit zoals zijn leerlingen dat al in allerlei omstandigheden al hadden ondervonden. Jezus heeft het er telkens op aangelegd dat zijn leerlingen Hem zouden meemaken in allerlei zeer onrustig makende situaties, om daarin te laten zien hoe Hij de situatie volkomen meester was. Tegenstanders, zoals de Farizeeën en Herodianen, provoceert Hij zelfs, zodat zij samen, de Farizeeën met de Herodianen, naar buiten gaan na de genezing op sabbat van de man met de verdorde hand, en plannen smeden om Hem uit de weg te ruimen. En dan zien hoe Jezus daarbij is. Majesteitelijk rustig!
Of in de confrontatie met zijn eigen familieleden in Nazareth. Ze geloofden niet in Hem. Hoe was Hij daarbij? Majesteitelijk rustig! Of die keer toen ze Hem voor gek verklaarden en Hem wilden meenemen. Hoe was Hij daar? Daar antwoordt Hij heel rustig: "Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?" (Mt 12,48; vgl. Mc 3,33). U kent dat antwoord wel. Als op een gegeven ogenblik de macht van de hel of een heel leger van boze machten tegen Hem lostrekt, zegt Hij heel rustig: "Hoe is uw naam? En als de onreine geest dan antwoordt: “Mijn naam is Legioen want, we zijn met velen" (Mc 5,9; vgl. Lc 8,30), zelfs dan komt er geen onrust over Jezus. In alles blijft Hij de rust zelve.

Diezelfde rust straalde Hij ook uit toen Hij op het achtersteven op het kussen lag te slapen, midden in de ziedende storm en de kolkende vloed die al over de boot spoelde en ze elk ogenblik mee naar de diepte zou kunnen sleuren. Jezus rustte op dat moment in de schoot van zijn Vader en daar hoorde Hij, zoals het kind op de schoot van zijn moeder, lieve woordjes: "Je bent mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in Jou heb Ik welbehagen" (Lc 3,22; vgl. Mt 3,17; Mc 1,11). Zo wilde Jezus laten zien dat ze niet bang hoefden te zijn. En toen ze dat toch nog waren vroeg Hij: "Waarom ben je zo bang? Hoe kun je nu zo bang zijn? “Hoe is het mogelijk dat je nog geen geloof bezit?" Je zou kunnen zeggen: wat kan Ik nog meer doen om jullie van mijn Godsvertrouwen te overtuigen? Als de Vader Hem zo rustig liet zijn, dan konden zij toch ook gerust zijn dat hen niets zou gebeuren? Ze waren toch samen: Jezus en zijn leerlingen?

Ze hadden het trouwens niet alleen van Jezus hoeven te hebben, want heel hun geschiedenis, zoals we zo-even in de eerste lezing hoorden, was er vol van. Abraham, op weg naar een ander land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen. Waarom ging hij? Omdat hij geloofde in Gods woord. Hij ging in geloof. En Sara heeft de kracht tot vruchtbaarheid ontvangen. Waarom? Omdat zij geloofde in het woord van God. Maar een heel goed voorbeeld van Abrahams geloof zien we als hem gevraagd wordt zijn zoon Isaäk ten offer te brengen. Hij was er van overtuigd dat God zelfs de macht heeft om doden tot leven te wekken. Dat zat er toen al in, dat Abrahamsgeloof, dat Jezusgeloof. Uit de dood heeft hij, om zo te zeggen, zijn zoon terug gekregen.

Jezus in slaap. Jezus in doodsslaap. Blijf geloven, zoals Hij tot Jaïrus zegt toen zijn dienaren hem kwamen zeggen dat zijn dochter zojuist gestorven was. "Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?” (Mc 5,35). Nee, zegt Jezus, “wees niet bang, maar blijf geloven" (Mc 5,36).
Blijf geloven, ook als je doodeenzaam bent, doodongelukkig, dodelijk verveeld, of doodmoe. Blijf geloven! Je bent in verbinding met de bron van het leven, met de bron van alle samenzijn, met de bron van de heilige Geest.