Eerste lezing: Hebreeën 10,19-25
Evangelie: Marcus 4,21-25
Inleiding
Aan de grootheid van het volk kan men de grootheid van de koning, van de leider herkennen. En onze Koning heeft heel de aarde tot het grondgebied van zijn rijk en niet alleen heel de aarde, de hemel er nog bij. Daaraan kun je zien hoe hoog Hij is, zoals het intredingslied Hem dan ook noemt: 'De Allerhoogste'.
Beginnen we, langs dit lied, het reikpunt ver te leggen, zodat wij ruimte krijgen, een ruim hart, een ruime geest en wij recht doen aan heel de werkelijkheid die hier als het ware in een notendop geconcentreerd is, want die hele ruimte wordt gevuld door zijn liefde, waarvan wij hier het teken vieren in woord en zelfgave.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat ons hart zo klein is, en ook onze liefde, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
Komt er soms een lamp om onder de korenmaat
of onder de rustbank gezet te worden,
of juist om op de standaard te worden geplaatst?
Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt zal worden;
en niets is geheim dat niet aan het licht zal komen.
Als iemand oren heeft om te horen, hij luistere.
Verder zei Hij:
Let op wat gij hoort.
De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken;
zelfs een toemaat zal men u geven.
Aan wie heeft, zal gegeven worden;
maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden,
zelfs wat hij heeft.
Homilie
Wie niet heeft hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft." Dat is gezegd aan het adres van de Joden, die Christus, het licht, niet hebben laten komen. Christus, het licht, de lamp, die gekomen is, niet om onder de korenmaat of onder de rustbank gezet te worden, maar om op de standaard geplaatst te worden. Hij werd door zijn volk niet aanvaard, niet op de standaard geplaatst. En dat de aanvaarding van een profeet, laat staan van dé profeet, niet zomaar een vrijblijvende aangelegenheid is, daarom zegt Jezus: 'Hun zal nog ontnomen worden, zelfs wat ze hebben.' Wat hadden ze dan? Ze hadden het verbond, de geboden, de heerlijkheid van God, de tabernakeltent, de vieringen, ze hadden de glorie van het uitverkoren volk. En dát komt hun als volk te ontvallen, omdat zij Christus niet hebben aanvaard.
Maar dit evangelie wordt nu aan christenen voorgelezen. Het evangelie is van de Kerk en voor de Kerk. Nu zijn het de christenen op wie dit harde woord van toepassing is. Christenen hebben de grote rijkdommen ontvangen: de geboden, normen en waarden, waar tegenwoordig zoveel over te doen is; ze hebben de sacramenten, de vieringen, maar als ze er niets mee doen, als ze het niet tot iets levends laten worden, als ze niet eucharistie zijn, als ze de barmhartigheid van God wel voor zichzelf ontvangen, maar niet barmhartig zijn voor anderen, dan zal hun nog ontnomen worden, zelfs wat ze hebben. Dat is wat we om ons heen zien in de voorheen christelijke landen; culturen zijn geestelijke woestijnen geworden, maanlandschappen.
Iedereen kan dit ook in zichzelf ontwaren. Als je niet trouw geweest bent aan de ontvangen genade, val je terug in een toestand van vóór die genade. Je bent namelijk opgenomen in een krachtenveld, het is een dynamisch gebeuren. De eerste lezing uit de brief aan de Hebreeën is vol van die dynamiek van het geloof. Het wordt voorgesteld als een uittocht en we trekken dan niet door de woestijn, zoals de Joden, maar we trekken door Jezus' Lichaam, die voor ons gewórden is tot een woestijn. "Hij heeft de nieuwe, levende weg gebaand" naar God toe, en als we door dat Lichaam, waarin de barmhartigheid van de Vader vlees heeft aangenomen, als we door dat Lichaam van Jezus heentrekken, steeds opnieuw, komen wij uit in de allerheiligste tabernakeltent, die vroeger voor het volk verboden toegang was, omdat ze onrein waren. Nu zijn wij van schulden vrij, door Hem.
Het is een dynamische beweging, een beweging uit onszelf weg naar God toe en Hij antwoordt met een beweging van Hem naar ons toe. "Komt er soms een lamp
" Een lamp kómt niet, een lamp staat ergens. De kaarsen hier, de lichten, die hangen of staan onbeweeglijk op een bepaalde plaats, maar deze lamp, Jezus, Hij is de lamp die komt. Dit woord wordt ook in een andere context gebruikt: het Rijk Gods komt, het woord van God komt, de lamp komt van Godswege. Dat betekent: ze komt uit het initiatief van God, uit een andere wereld, vanuit een andere dimensie. Hij is de altijd komende. Het is niet zo dat Hij éénmaal is gekomen en dat is het dan, nee, omdat het God is die komt, is Hij nooit aangekomen, met dien verstande, dat Hij nooit op een bepaalde plaats te lokaliseren is. Hij is alomtegenwoordig en dus ook steeds de komende. Hij heeft het initiatief, het gaat van Hem uit, het is iets levends.
Leven is zelfbeweging. Het beweegt uit zichzelf, het is een levend licht, een wandelend licht, een warm licht, een licht met een hart, het is een vriendelijk licht. Dát licht komt naar ons toe. Het is gekomen, het licht schijnt in de wereld, het licht is in de wereld gekomen. "Ik ben het licht van de wereld," zegt Jezus (Joh 8,12). Het kan zich dus niet meer uit de wereld terugtrekken, het is er altijd, en wij van onze kant kunnen dat licht, dat altijd om ons heen is, aannemen, ontvangen, we kunnen de deur op zijn kloppen opendoen, we kunnen het licht telkens opnieuw laten komen voor ons.
Je hebt het licht niet in je, je ontvangt het licht, zoals u straks ook zijn Lichaam, zijn zelfgave, zijn barmhartige liefde ontvangt. Je moet je handen uitsteken, dan pas krijg je het. Je moet het ontvangen en daarom moet je je steeds opnieuw in een gesteltenis van ontvankelijkheid brengen, dat betekent: in een gesteltenis van vragen in nood, van smeken, en ook in een gesteltenis van onwaardigheid. Dat zegt u dan ook: 'Heer, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak.' Je bent pas waardig als je je onwaardigheid ziet en belijdt; dan pas ontvang je, als je eerst bekent dat je het niet hebt, dat je nood hebt aan zijn licht. En het wonderlijke is dat je dat licht dan ook krijgt, omdat dat licht inderdaad gekomen is en steeds opnieuw komt. Het is juist gekomen om bij je te worden binnen gelaten.
Het is een groot geheim dat we worden omringd door het licht van God, dat ongeduldig staat te wachten tot wij ons hart, onze geest ervoor openstellen, zodat wij dat licht ook tot ons innerlijk laten doordringen, dat het een innerlijk licht wordt, dat ons hart erdoor verlicht wordt.